ECLI:NL:CRVB:2012:BY6289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV dat zij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling zorgvuldig was en dat appellante de geselecteerde functies met haar beperkingen kon vervullen.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar fysieke en psychische beperkingen en dat de functies niet passend zouden zijn. Zij bracht aanvullende medische informatie in, waaronder onderzoeken door een orthopedisch chirurg, revalidatiearts, psychiater en neuroloog.
De Raad concludeert dat de medische informatie geen aanleiding geeft om te twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De arbeidsdeskundige heeft het opleidingsniveau en de belastbaarheid van appellante beoordeeld en vastgesteld dat zij geschikt is voor de geselecteerde functies, met uitzondering van de functie archiefmedewerker die is vervallen vanwege een te hoog theoretisch niveau.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.