ECLI:NL:CRVB:2012:BY5668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze lening bij langdurig verblijf in inrichting
Appellante, die sinds 2004 bijstand ontvangt, had bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze lening van €900 voor de aanschaf van een bankstel ontvangen. Zij stelde dat haar langdurig verblijf in een kliniek en de daaruit voortvloeiende psychische gesteldheid een uitzonderlijke situatie vormden, waardoor zij bijzondere bijstand om niet had moeten krijgen.
De Raad overwoog dat een langdurig verblijf in een inrichting op zichzelf geen uitzonderlijke situatie is die rechtvaardigt dat bijzondere bijstand om niet wordt verstrekt. De schuld die appellante had opgebouwd betrof achterstallige premie van de zorgverzekering, welke volgens artikel 23 van Pro de WWB niet het gevolg kan zijn van de verlaging van de bijstandsnorm door verblijf in een inrichting.
Appellante had geen andere schulden aannemelijk gemaakt die haar aflossingscapaciteit zouden beperken. Daarom kon niet worden geoordeeld dat de bijzondere bijstand om niet had moeten worden verleend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.