ECLI:NL:CRVB:2012:BY5477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- T.L. de Vries
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Geen recht op studiefinanciering voor postinitiële master zonder resterende prestatiebeurs
Appellant vroeg studiefinanciering aan voor een postinitiële masteropleiding in het buitenland, welke werd afgewezen door de Minister van Onderwijs. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat appellant niet voldeed aan de 3-uit-6-eis zoals opgenomen in artikel 2.14 van de Wsf 2000.
In hoger beroep stelde appellant dat de beoordeling van de 3-uit-6-eis onjuist was toegepast en dat zijn aanspraak beoordeeld moest worden aan de hand van de periode voorafgaand aan zijn eerste studie in het buitenland. De Raad oordeelde dat appellant voorafgaand aan de masteropleiding geen studiefinanciering had ontvangen en dat er daarom geen resterend recht op prestatiebeurs bestond zoals bedoeld in artikel 5.7, tweede lid, van de Wsf 2000.
De Raad verwierp het argument van appellant dat hij de regeling van artikel 2.14 Wsf 2000 niet kon benutten omdat deze regeling toen nog niet bestond. Aan niet-bestaande regelingen kunnen geen rechten worden ontleend. Het beroep werd gegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd en het nieuwe besluit van 22 februari 2010 dat het beroep ongegrond verklaarde, werd bevestigd. De Minister werd tevens verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op studiefinanciering voor de postinitiële masteropleiding omdat hij geen resterend recht op prestatiebeurs heeft.