ECLI:NL:CRVB:2012:BY5028
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag wegens overschrijding bijstandsnorm
Appellant, geboren in 1949 en woonachtig in Purmerend, heeft een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college wees deze aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan het vereiste dat hij gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden voorafgaand aan de aanvraag een inkomen had dat niet hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat het college ten onrechte de heffingskorting voor zijn in het buitenland verblijvende echtgenote had meegenomen bij de berekening van het gezinsinkomen.
De Raad oordeelde dat appellant en zijn echtgenote als gehuwden moesten worden beschouwd, maar dat voor de bijstandsnorm de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag voor inwonende meerderjarige zoon van toepassing was. Uit de overgelegde inkomensspecificaties bleek dat appellant in de relevante periode in enkele maanden een inkomen had dat hoger was dan deze bijstandsnorm. Hierdoor kon het hoger beroep niet slagen en werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag wordt afgewezen omdat appellant niet voldeed aan het inkomensvereiste over de referteperiode.