ECLI:NL:CRVB:2012:BY4743

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-1732 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep na toekenning overlijdensuitkering AOW

Appellant diende een aanvraag in voor een overlijdensuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) na het overlijden van een familielid. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag aanvankelijk af wegens het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 18 AOW Pro. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat de Svb bij een nader besluit alsnog de overlijdensuitkering toekende met vergoeding van wettelijke rente.

Appellant stelde hoger beroep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de rechtbank en voerde procedurele bezwaren aan, waaronder het ontbreken van een vooronderzoek en het niet kunnen repliceren op het verweerschrift. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen procesbelang meer heeft nu het beoogde resultaat, de toekenning van de uitkering, is bereikt. Het hoger beroep betrof slechts een principiële vraag zonder feitelijke betekenis voor appellant.

De Raad verwierp het beroep als niet-ontvankelijk en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door M.M. van der Kade, met M.R. Schuurman als griffier, op 30 november 2012.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na toekenning van de overlijdensuitkering.

Uitspraak

12/1732 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2012, 11/5081 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 30 november 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2012. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Boot.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een overlijdensuitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) in verband met het overlijden van [C.] op 10 maart 2010. De Svb heeft appellant bij besluit van 21 maart 2011 genoemde uitkering geweigerd op de grond dat niet voldaan is aan de voorwaarden, genoemd in artikel 18 van Pro de AOW.
1.2. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 12 september 2011 ongegrond verklaard.
2.1. Appellant heeft op 24 oktober 2011 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 22 november 2011 heeft de rechtbank appellant uitgenodigd voor de zitting van 3 februari 2012. De Svb heeft op 24 november 2011 een verweerschrift ingezonden, waarna appellant op 8 december 2011 een aanvullend beroepschrift heeft ingediend.
2.2. Bij nader besluit van 10 januari 2012 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2011 alsnog gegrond verklaard. Aan appellant is een overlijdensuitkering toegekend, onder vergoeding van wettelijke rente.
2.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat met het nadere besluit van 10 januari 2012 volledig is tegemoetgekomen aan het beroep van appellant tegen het bestreden besluit. Van enig ander in aanmerking te nemen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit is niet gebleken.
3. Appellant heeft in hoger beroep tot nietigverklaring van de aangevallen uitspraak betoogd. Volgens appellant was nog sprake van het vooronderzoek op het moment dat partijen werden uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen. Eerst als het vooronderzoek is voltooid, kunnen partijen voor een zitting worden uitgenodigd. Verder heeft appellant zijn ongenoegen geuit over de omstandigheid dat hij in hoger beroep niet in de gelegenheid is gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift te repliceren.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. In geschil is de vraag of appellant, nu hij aanspraak heeft op een overlijdensuitkering onder vergoeding van wettelijke rente, voldoende procesbelang heeft bij een procedurele beoordeling van de aangevallen uitspraak.
4.3. Volgens vaste rechtspraak is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het (hoger) beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk wordt bereikt en aan het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd. Verder heeft de Raad meermalen uitgesproken dat hij is geroepen tot beslechting van geschillen en niet tot beantwoording van uitsluitend principiële vragen.
4.4. Niet kan worden vastgesteld dat er voor appellant nog enig procesbelang is. Het resultaat dat appellant in deze procedure nastreeft, namelijk nietigverklaring van de aangevallen uitspraak op grond van een procedurele fout door de rechtbank, zou voor appellant geen feitelijke betekenis hebben en betreft uitsluitend een principiële vraag. Verder is niet aannemelijk dat appellant is benadeeld door de werkwijze van de rechtbank, nu door de Svb volledig is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant, onder toekenning van wettelijke rente.
4.5. De in hoger beroep aangevoerde grond dat de Raad ten onrechte de mogelijkheid van repliek niet heeft geboden, behoeft in dit verband geen bespreking.
4.6. Uit overwegingen 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep vanwege het komen te ontvallen van het procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2012.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) M.R. Schuurman