ECLI:NL:CRVB:2012:BY4743
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep na toekenning overlijdensuitkering AOW
Appellant diende een aanvraag in voor een overlijdensuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) na het overlijden van een familielid. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag aanvankelijk af wegens het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 18 AOW Pro. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat de Svb bij een nader besluit alsnog de overlijdensuitkering toekende met vergoeding van wettelijke rente.
Appellant stelde hoger beroep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de rechtbank en voerde procedurele bezwaren aan, waaronder het ontbreken van een vooronderzoek en het niet kunnen repliceren op het verweerschrift. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen procesbelang meer heeft nu het beoogde resultaat, de toekenning van de uitkering, is bereikt. Het hoger beroep betrof slechts een principiële vraag zonder feitelijke betekenis voor appellant.
De Raad verwierp het beroep als niet-ontvankelijk en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door M.M. van der Kade, met M.R. Schuurman als griffier, op 30 november 2012.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na toekenning van de overlijdensuitkering.