ECLI:NL:CRVB:2012:BY4632

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6245 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 WuvArt. 21 Wuv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering voorziening aanschaf auto voor vervolgde met psychische klachten

Appellant, een vervolgde met psychische klachten veroorzaakt door vervolgingsgevolgen van zijn ouders, vroeg om een voorziening voor de aanschaf van een auto en vervoerskosten voor sociale contacten. De Sociale verzekeringsbank wees de aanvraag voor de auto af, maar kende wel vergoeding toe voor vervoer voor sociale contacten.

De Raad overwoog dat hoewel appellant vanwege zijn psychische klachten niet met het openbaar vervoer kan reizen, dit niet betekent dat hij niet met een taxi kan reizen. Medische rapporten en verklaringen van de huisarts toonden aan dat appellant geen absolute verhindering heeft om een taxi te gebruiken.

De Raad vond het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en zag geen aanleiding voor aanvullend psychiatrisch onderzoek. De latere verklaring van de huisarts, waarin werd gesteld dat appellant niet in een taxi kan reizen, werd niet als zwaarwegend beschouwd.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het beroep ongegrond en wees de voorziening voor de aanschaf van een auto af.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een voorziening voor de aanschaf van een auto wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

11/6245 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak 29 november 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 september 2011, kenmerk BZ01325020 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2012. Namens appellant is mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1958 en van zigeunerafkomst, is gelijkgesteld met een vervolgde op de grond dat zijn psychische klachten in overwegende mate in verband staan met de vervolgingsgevolgen van zijn ouders. In februari 2011 heeft appellant een aanvraag ingediend om toekenning van voorzieningen voor de kosten van de aanschaf van een auto en de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten.
1.2. Bij besluit van 19 april 2011 is deze aanvraag afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit heeft verweerder bij het bestreden besluit in zoverre gegrond verklaard dat met ingang van 1 februari 2011 een vergoeding is toegekend voor de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten. De weigering om een voorziening toe te kennen voor de kosten van de aanschaf van een auto is bij het bestreden besluit gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant weliswaar vanwege zijn causale psychische klachten geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, maar dat noch zijn causale psychische klachten noch zijn niet-causale lichamelijke klachten een belemmering vormen om met een taxi te reizen.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1. Niet in geschil is dat appellant vanwege zijn causale psychische klachten zodanige beperkingen ondervindt dat hij niet met het openbaar vervoer kan reizen. Gelet op het beleid van verweerder is dat echter niet voldoende. Voor toekenning van een voorziening voor de aanschaf van een auto stelt verweerder tevens als eis dat sprake is van een absolute verhindering om gebruik te maken van een taxi. Deze eis is in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wuv en mag, gelet op het inmiddels algemeen gebruikelijke karakter van de voorziening, strikt worden uitgelegd (CRvB 16 mei 2007, LJN BA5837).
2.2. Het standpunt van verweerder dat appellant gebruik kan maken van een taxi is onder meer gebaseerd op het rapport van geneeskundig adviseur R. Loonstein, arts, van 14 april 2011. Dit rapport berust op de uitkomst van een door Loonstein ingesteld persoonlijk medisch onderzoek, alsmede op de door huisarts J.H. Pieters bij brief van 21 maart 2011 aan de geneeskundig adviseur verstrekte informatie. In die brief is door Pieters vermeld dat appellant bijzonder angstig wordt wanneer hij zich in grote groepen mensen moet bevinden en dat hij in een taxi zulke angstproblemen niet ervaart. In de bezwaarfase heeft appellant een nadere verklaring ingebracht van Pieters van 30 mei 2011, waarin is vermeld dat appellant, in tegenstelling tot wat eerder is aangegeven, vanwege een ernstige angststoornis niet in een taxi kan worden vervoerd. Op 2 september 2011 heeft geneeskundig adviseur A.J. Maas, arts, gerapporteerd dat niet is gebleken dat appellant geen gebruik kan maken van een taxi en dat de nadere verklaring van Pieters, gezien de overige medische gegevens, geen aanleiding vormt voor een ander standpunt.
2.3. De Raad acht het bestreden besluit met de genoemde medische adviezen voldoende deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Uit hetgeen appellant op 7 april 2011 tegenover geneeskundig adviseur Loonstein heeft verklaard, kan niet worden afgeleid dat sprake is van een absolute verhindering om van een taxi gebruik te maken. Hij heeft, in tegendeel, verklaard dat hij een taxi zou nemen als het zou moeten, hetgeen in overeenstemming is met de aanvankelijk door de huisarts Pieters verstrekte gegevens. Aan de latere verklaring van Pieters van 30 mei 2011, die zonder enige motivering haaks staat op zijn eerdere verklaring, kan niet het gewicht worden toegekend dat appellant daaraan toegekend wenst te zien. De Raad deelt ook niet het standpunt van appellant dat verweerder gehouden was om op basis van deze verklaring een psychiatrisch onderzoek te laten verrichten. Evenmin is er aanleiding voor een door de Raad in te stellen deskundigenonderzoek, zoals appellant heeft verzocht.
2.4. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2012.
(getekend) R. Kooper
(getekend) M.R. Schuurman
HD