ECLI:NL:CRVB:2012:BY4292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- E.J. Govaers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen mede-eigendom woning
Betrokkene ontving sinds 9 juli 1999 bijstand en was mede-eigenaar van een woning voor een zesde gedeelte, wat zij niet aan het college had gemeld. Het college ontdekte dit via een koppeling met het kadaster en besloot de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en een bedrag terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank oordeelde dat het college bij de terugvordering ten onrechte was uitgegaan van de woningwaarde in 2008 in plaats van bij aanvang van de bijstand in 1999, en vernietigde dat deel van het besluit. Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad overwoog dat betrokkene redelijkerwijs over haar aandeel in de woning kon beschikken, ondanks de weigering van haar moeder tot scheiding van de nalatenschap. Ook oordeelde de Raad dat het college terecht de hoogste waarde van de woning in de terugvorderingsperiode hanteerde conform beleidsregels. Het hoger beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard en het hoger beroep van het college gegrond, waarmee de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.