ECLI:NL:CRVB:2012:BY3908
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking bij zorg aan jonge dochter
Appellant heeft zorg verleend aan zijn destijds 2-jarige dochter in de referteperiode, betaald vanuit een persoonsgebonden budget (PGB). Het Uwv heeft deze zorgweken niet meegeteld als dienstbetrekking voor de WW-referte-eis omdat er geen gezagsverhouding bestond en de arbeidsverhouding in overwegende mate door familiebanden werd beheerst.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit omdat het Uwv appellant niet had gehoord in de bezwaarfase, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van Pro de WW, omdat de dochter te jong was om gezag uit te oefenen.
Ook is geen sprake van een arbeidsverhouding gelijkgesteld aan een dienstbetrekking op grond van artikel 5 van Pro de WW, vanwege de familieverhouding. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen omdat geen ongeclausuleerde toezegging is gedaan. De Raad bevestigt het besluit dat appellant niet voldoet aan de referte-eis en dus geen WW-uitkering ontvangt.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WW-uitkering omdat de zorg aan zijn jonge dochter geen dienstbetrekking vormt en de arbeidsverhouding wordt beheerst door familiebanden.