ECLI:NL:CRVB:2012:BY3510

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-795 WAO-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terug te komen op besluit arbeidsongeschiktheidsuitkering

De appellant verzocht het UWV om terug te komen op een besluit uit 1982 waarin hem een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) werd geweigerd vanwege het niet voldoen aan de inkomenseis. Dit verzoek was gebaseerd op een medische visie van arts S. Albers uit 2002, die de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair op 1 oktober 1972 stelde.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat deze medische visie was achterhaald door een herbeoordeling in 2005 door een bezwaarverzekeringsarts, waardoor er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht aannam dat in 1982 ook is onderzocht of appellant mogelijk al op 17- of 18-jarige leeftijd arbeidsongeschikt was, mede op basis van onafhankelijke deskundigenrapporten van een zenuwarts en een psychiater. Tevens werd vastgesteld dat appellant niet in zijn procesrechten was geschaad, ondanks zijn afwezigheid bij de zitting wegens verblijf in het buitenland, aangezien zijn gemachtigde aanwezig was en er geen verzoek tot uitstel was ingediend.

Het hoger beroep slaagde niet en de Raad bevestigde het bestreden vonnis.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV uit 1982 wordt gehandhaafd.

Uitspraak

12/795 WAO-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op 2 november 2012 op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2011, 10/3029 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 november 2012
Zitting heeft: M.C. Bruning
Griffier: J.R. Baas
Ter zitting zijn verschenen:
- Appellant, bijgestaan door zijn advocaat mr. M.A. van Hoof
- Uwv, vertegenwoordigd door mr. M. Sluis
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen de door het Uwv gehandhaafde weigering om terug te komen van het besluit van 9 september 1982. Bij dat besluit is aan appellant onder meer een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) geweigerd omdat hij, uitgaande van een eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 januari 1979, niet voldaan heeft aan de inkomenseis. Appellant heeft zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 9 september 1982 gebaseerd op de visie van de arts S. Albers, die appellant in het kader van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) heeft beoordeeld en de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair op 1 oktober 1972 heeft gesteld.
De Raad overweegt het volgende.
Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het door de arts Albers in 2002 gestelde reeds achterhaald is met de herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts Koek in 2005, en reeds hierom geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid oplevert als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De overweging van de rechtbank dat aannemelijk is dat in 1982 mede is bezien of appellant wellicht al op 17- of 18-jarige leeftijd arbeidsongeschikt was acht de Raad juist, mede gelet op het feit dat zowel door de Raad van Beroep als door de Raad destijds onafhankelijke deskundigen zijn ingeschakeld, namelijk een zenuwarts en een psychiater, welke appellant hebben onderzocht en hebben geconcludeerd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant 1 januari 1979 is. Voorts heeft appellant erop gewezen dat hij graag bij de zitting van de rechtbank aanwezig was geweest maar dat hij verhinderd was wegens verblijf in het buitenland. Uit de stukken blijkt dat de gemachtigde van appellant, mr. Hoof, bij brief van 25 oktober 2011 is uitgenodigd voor de zitting op 14 december 2011. Mr. Hoof is namens appellant ter zitting van 14 december 2011 verschenen. Er is niet gebleken van een door of namens appellant ingediend verzoek aan de rechtbank om uitstel van de zitting. Er is niet gebleken dat appellant is geschaad in zijn processuele rechten.
Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
J.R. Baas M.C. Bruning