ECLI:NL:CRVB:2012:BY3139

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/6987 WWB + 11/6988 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WWBArt. 16 WWBArt. 93 GrondwetArt. 94 GrondwetEVRM artikel 8
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken geldige verblijfstitel

Appellanten dienden op 1 december 2010 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het Drechtstedenbestuur wees deze aanvraag op 14 december 2010 af omdat appellanten niet beschikten over een geldige verblijfstitel. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd op 8 februari 2011 ongegrond verklaard door het bestuur. De rechtbank Dordrecht bevestigde deze beslissing op 8 november 2011.

In hoger beroep voerden appellanten aan dat hun persoonlijke kwetsbaarheid het bestuur verplicht tot bijstand op grond van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). De Raad overwoog echter dat appellanten tijdens de relevante periode geen vreemdelingen waren in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB, waardoor artikel 16, tweede lid, van de WWB van toepassing is. Dit artikel sluit bijstand uit, zelfs bij zeer dringende redenen.

De Raad bevestigde voorts dat de positieve verplichting uit artikel 8 EVRM Pro niet via de WWB kan worden gerealiseerd en dat het beroep op artikel 3 IVRK Pro faalt omdat deze verdragsbepaling niet rechtstreeks bindend is op grond van de Grondwet. Gezien deze overwegingen werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel.

Uitspraak

11/6987 WWB, 11/6988 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 8 november 2011, 11/365 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] en [Appellante] wonende te [woonplaats]
het Drechtstedenbestuur (bestuur)
Datum uitspraak 13 november 2012.
PROCESVERLOOP
Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het Drechtstedenbestuur per 1 januari 2011 de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder bestuur tevens verstaan deze Bestuurscommissie.
Namens appellanten heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op de zitting van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2012. Voor appellanten is verschenen mr. Klaas. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klein.
Partijen hebben ter zitting van de Raad meegedeeld dat zij bij een verwijzing naar een meervoudige kamer geen behoefte hebben aan een nieuwe zitting.
De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 1 december 2010 hebben appellanten een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand ingediend (WWB) ingediend. Bij besluit van 14 december 2010 heeft het bestuur de aanvraag afgewezen op de grond dat appellanten niet beschikken over een geldige verblijfstitel.
1.2. Bij besluit van 8 februari 2011 heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 14 december 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 februari 2011 ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij hebben appellanten aangevoerd dat zij door hun persoonlijke situatie kwetsbaar zijn, zodat het bestuur op grond van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) gehouden is aan hen bijstand te verlenen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De door de bestuursrechter te beoordelen periode bestrijkt in dit geval de periode van 1 december 2010 tot en met de datum van het primaire besluit, te weten 14 december 2010
(te beoordelen periode).
4.2. Niet in geding is dat appellanten tijdens de te beoordelen periode geen vreemdeling waren in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan vallen appellanten onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hen zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid, van dit artikel, geen uitkering op grond van de WWB worden toegekend.
4.3. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 22 november 2011, LJN BU6844) kan, indien ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van Pro het EVRM, dit niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven. De vraag of appellanten zijn aan te merken als kwetsbare personen die op grond van artikel 8 van Pro het EVRM bijzondere bescherming genieten, kan daarom in het kader van de WWB in het midden worden gelaten. Het beroep van appellanten op artikel 3 van Pro het IVRK faalt, nu, zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 26 januari 2010, LJN BL1686), deze verdragsbepaling geen bepaling vormt die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.
4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uispraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en H.J. de Mooij en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2012.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) E. Heemsbergen
ew