ECLI:NL:CRVB:2012:BY2961
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van tweede kwijtscheldingsverzoek bij terugvordering bijstand
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam vorderde in 1998 een bedrag van ruim €27.000 terug aan ten onrechte verleende bijstand van appellant. Appellant diende op 2 april 2010 een eerste verzoek om kwijtschelding in, dat werd afgewezen. Vervolgens diende appellant op 30 september 2010 een tweede verzoek in, dat eveneens werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het tweede verzoek een herhaalde aanvraag was in de zin van artikel 4:6 Awb Pro, waarvoor nieuwe feiten of omstandigheden moesten worden aangetoond.
Appellant stelde dat het tweede verzoek een nieuwe aanvraag was en geen herhaalde aanvraag. De Raad oordeelde dat het tweede verzoek inderdaad een nieuwe aanvraag betrof, omdat het een nieuw beoordelingsmoment met gewijzigde restantschuld betrof. Hierdoor was de toepassing van artikel 4:6 Awb Pro door de rechtbank onjuist.
Desalniettemin slaagde appellant er niet in aannemelijk te maken dat zich relevante wijzigingen hadden voorgedaan sinds de afwijzing van het eerste verzoek. Ten tijde van het tweede verzoek was er nog steeds invordering door beslag. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. De Raad veroordeelde het college in de proceskosten van appellant voor het hoger beroep van het tweede verzoek en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het tweede kwijtscheldingsverzoek wordt ongegrond verklaard en het eerste verzoek wordt bevestigd afgewezen.