ECLI:NL:CRVB:2012:BY2600
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling pgb-tarief huishoudelijke verzorging en redelijke termijn bestuursrechtelijke procedure
Appellante, met beperkingen door restverschijnselen na coma, kreeg huishoudelijke hulp via een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend. Het college stelde het pgb-tarief vast op basis van een percentage van het gemiddelde tarief van gecontracteerde zorgleveranciers, wat door de rechtbank werd vernietigd wegens gebrek aan maatwerk.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onterecht een vaste korting van 25% toepaste en dat het tarief in haar regio hoger moest zijn dan het gehanteerde bedrag. De Raad oordeelde dat het college het pgb-tarief passend had vastgesteld, uitgaande van het uurloon van functiegroep 15 van de CAO Thuiszorg, vermeerderd met vakantietoeslag en verlofuren, afgerond op €15,50.
Daarnaast behandelde de Raad de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure. Hoewel de behandeling door het college en de rechtbank binnen redelijke termijnen viel, duurde de behandeling bij de Raad zelf meer dan twee jaar, wat aanleiding gaf tot heropening van het onderzoek voor een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde het collegebesluit en bepaalde dat de Staat der Nederlanden als partij wordt betrokken in de procedure over de schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het collegebesluit bevestigd, met heropening van het onderzoek voor een schadevergoeding wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.