ECLI:NL:CRVB:2012:BY2380

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1183 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WWBArt. 3 Afstemmingsverordening Inkomensvoorziening gemeente AmsterdamArt. 5 Afstemmingsverordening Inkomensvoorziening gemeente Amsterdam
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens niet verschijnen op werk ondanks beperkingen

Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en is onderworpen aan arbeidsverplichtingen. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft de bijstand van appellant met 100% verlaagd voor een maand omdat hij zonder bericht niet is verschenen op het aangeboden werk als vrachtwagenchauffeur.

Appellant voerde aan dat het werk niet passend was vanwege zijn medische beperkingen, waaronder astma en zwaarlijvigheid, en dat het college hiervan op de hoogte had moeten zijn. Medische keuringen en adviezen van arbeidsdeskundigen gaven echter aan dat chauffeurswerkzaamheden passend waren, mede gezien zijn arbeidsverleden en eigen wens.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat geen sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid en dat de maatregel conform de Afstemmingsverordening van de gemeente Amsterdam is vastgesteld. Het hoger beroep wordt verworpen en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% gedurende een maand wordt bevestigd wegens het niet verschijnen op het aangeboden werk zonder geldige reden.

Uitspraak

11/1183 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2011, 10/5599 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 6 november 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Mous, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op hem zijn de arbeidsverplichtingen van toepassing.
1.2. Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college de bijstand van appellant verlaagd met 100% gedurende een maand. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant zonder bericht niet is verschenen op zijn eerste werkdag bij Consolid en vervolgens ook niet bereikbaar was waardoor hij langer dan nodig een beroep op de bijstand heeft moeten doen.
1.3. Bij besluit van 8 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en, samengevat, het volgende aangevoerd. De aangeboden werkzaamheden zijn voor hem niet passend. Door zijn beperkingen kan het besturen van een vrachtwagen en het vervullen van daaraan verwante werkzaamheden in redelijkheid niet van hem worden gevergd. Het college had dit moeten weten gezien zijn medische situatie. De bijstand is ten onrechte met 100% gedurende een maand verlaagd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Vaststaat dat appellant niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan doordat hij op zijn eerste werkdag niet is verschenen op het aan hem aangeboden werk als vrachtwagenchauffeur bij Consolid. Ingevolge artikel 18, tweede lid, eerste volzin, van de WWB dient dit te leiden tot een verlaging van de bijstand. Ingevolge artikel 18, tweede lid, laatste volzin, van de WWB wordt van een verlaging afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarvan is hier geen sprake. Appellant wist dat hij op zijn werk moest verschijnen en heeft hiervan, zonder bericht, afgezien. Appellant is in februari 2009 medisch gekeurd en is toen fulltime belastbaar geacht voor werk, met een beperking voor zwaar en stoffig werk in verband met zijn astma en zwaarlijvigheid. De arbeidsdeskundige heeft in een advies van 4 maart 2009 als een van de arbeidsmogelijkheden voor appellant chauffeurswerkzaamheden genoemd, mede gezien de eigen wens van appellant en omdat appellant, gezien zijn arbeidsverleden, daartoe in het bijzonder gekwalificeerd is. Uit de door appellant in de bezwaarprocedure overgelegde brief van zijn behandelend longarts van 29 oktober 2008 kan niet worden afgeleid dat de werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur niet in overeenstemming zijn met de voor hem aangegeven belastbaarheid.
4.2. De hoogte en duur van de maatregel is overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Afstemmingsverordening Inkomensvoorziening van de gemeente Amsterdam (Afstemmingsverordening). Wat appellant heeft aangevoerd, leidt voorts niet tot het oordeel dat het college de verlaging met toepassing van artikel 5 van Pro de Afstemmingsverordening lager had moeten vaststellen.
4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4.4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2012.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) J.M. Tason Avila
RB