ECLI:NL:CRVB:2012:BY2281

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-383 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na geschiktheidsbevinding ondanks chronische vermoeidheidsklachten

Appellante was werkzaam als callcentermedewerker en ontving een Ziektewetuitkering wegens psychische klachten sinds augustus 2008. Na een geschiktheidsbevinding door de verzekeringsarts in december 2009 werd haar uitkering beëindigd. Appellante meldde zich echter opnieuw ziek per 4 januari 2010, waarna het UWV haar opnieuw geschikt bevond en de uitkering beëindigde.

De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze beslissing ongegrond, waarbij de verzekeringsarts de klachten van appellante, waaronder chronische vermoeidheid en slaapproblemen, nadrukkelijk had betrokken. Het verzoek van appellante om een aanvullend medisch onderzoek door een Belgische expert werd afgewezen.

In hoger beroep herhaalde appellante haar verzoek om een dergelijk onderzoek, maar zonder nieuwe medische onderbouwing. De Raad oordeelde dat de eigen opvatting van appellante over haar gezondheid onvoldoende gewicht heeft en bevestigde het eerdere oordeel dat geen aanleiding bestaat voor nader onderzoek of herziening van het besluit.

De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bekrachtigd en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering en wijst het verzoek om nader medisch onderzoek af.

Uitspraak

11/383 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 december 2010, 10/914 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 31 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.H.M. van Oosterhout, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2012. Voor appellante is mr. Van Oosterhout verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
OVERWEGINGEN
1. Appellante was laatstelijk werkzaam als full-time callcenter medewerker van juni 2006 tot december 2007. Vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet heeft zij zich op 21 augustus 2008 ziek gemeld met psychische klachten. Aan haar is met ingang van 21 augustus 2008 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) verstrekt. Met ingang van 10 december 2009 heeft de verzekeringsarts appellante weer geschikt bevonden tot het verrichten van haar arbeid. Op 4 januari 2010 heeft appellante zich doorlopend ziek gemeld per 10 december 2009. Na een beoordeling door de verzekeringsarts is appellante bij besluit van 7 januari 2010 met ingang van 4 januari 2010 weer geschikt bevonden tot het verrichten van haar arbeid en is haar uitkering ingevolge de ZW beëindigd. Bij beslissing op bezwaar van 9 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder verwijzing naar de onderzoeksbevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts overwogen, dat er geen aanknopingspunten zijn om aan de juistheid van de uitkomst van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek te twijfelen en dat de uitgebrachte verzekeringsgeneeskundige rapporten voldoende zijn gemotiveerd en voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de bezwaarverzekeringsarts inhoudelijk heeft gereageerd op hetgeen appellante in beroep naar voren heeft gebracht, met name met betrekking tot haar vermoeidheidsklachten gebaseerd op een slaapproblematiek. Het verzoek van appellante om nader - medisch - onderzoek te laten verrichten is afgewezen.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Daarbij is de Raad verzocht het Uwv te veroordelen tot het voorfinancieren van een nader onderzoek door een Belgische expert op het gebied van CVS en fibromyalgie, internist prof. dr. K. de Meirleir.
4. Hetgeen appellante heeft aangevoerd maar, zoals het Uwv in het verweerschrift terecht heeft opgemerkt, in hoger beroep niet heeft onderbouwd met (nieuwe) medische gegevens, is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. De (chronische) vermoeidheidsklachten van appellante zijn door de (bezwaar)verzekeringsarts kenbaar en nadrukkelijk in de beoordeling betrokken. Aan de eigen opvatting van appellante aangaande haar gezondheidstoestand kan niet dat gewicht worden toegekend dat zij daaraan gehecht wil zien. In het voorgaande ligt besloten dat er geen aanleiding is om een deskundige in te schakelen dan wel het Uwv te veroordelen om een onderzoek door prof. dr. De Meirleir te financieren.
5. Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2012.
(getekend) J. Riphagen
(getekend) D. Heeremans