ECLI:NL:CRVB:2012:BY1857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- E.C.R. Schut
- M.F. Wagner
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd onderzocht vanwege vermoedelijke werkzaamheden bij een commercieel bedrijf die niet waren gemeld. Het dagelijks bestuur trok de bijstand in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug. Appellante voerde aan dat zij geen waardeerbare werkzaamheden had verricht, haar verklaring onder druk was afgelegd en dat zij psychische problemen had die haar werkvermogen beperkten.
De Raad oordeelde dat de werkzaamheden wel degelijk economische waarde hadden en dat appellante haar verklaring niet onder onaanvaardbare druk had afgelegd. Haar psychische klachten waren onvoldoende onderbouwd met medische informatie. Ook was zij niet onduidelijk over het invullen van het rechtmatigheidsformulier, mede doordat zij hulp had gekregen bij het invullen.
Omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt hoeveel uren zij werkte en zij de inlichtingenverplichting had geschonden, kon het dagelijks bestuur de bijstand over de betreffende periode terecht intrekken en terugvorderen. De opgelegde maatregel van verlaging van de bijstand met 50% werd eveneens bevestigd, omdat geen dringende reden of onschuldige omstandigheden waren aangetoond.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Breda werd bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en de opgelegde maatregel wegens schending van de inlichtingenverplichting.