ECLI:NL:CRVB:2012:BY0911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek kwijtschelding terugvordering bijstand na schadevergoeding
Appellant ontving sinds 1994 bijstand, waarvan vanaf 12 mei 1999 sprake was van leenbijstand in afwachting van een schadevergoeding wegens een snijverwonding op 16 juli 1994. Op 7 november 2002 ontving appellant een schadevergoeding van €179.311,25. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok bij besluit van 10 september 2003 de bijstand in en vorderde de kosten van bijstand terug, omdat appellant over vermogen beschikte om de schuld ineens te voldoen.
Appellant verzocht in 2006 en opnieuw in 2008 om kwijtschelding van de openstaande vordering, welke verzoeken door het college werden afgewezen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit van 27 maart 2009 vanwege onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat het verzoek niet inhoudelijk was beoordeeld en dat hij niet meer over het vermogen beschikte om de vordering ineens te voldoen.
De Raad oordeelde dat het college tijdens de procedure vasthield aan het standpunt tot afwijzing en alsnog een motivering gaf waarop appellant zich heeft kunnen uitlaten. De Raad bevestigde dat het beleid van het college geen kwijtschelding toestaat indien de betrokkene over vermogen beschikt of kan beschikken om de vordering te voldoen. Er waren geen bijzondere omstandigheden om van dit beleid af te wijken. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen terecht in stand gelaten en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding wordt bevestigd.