ECLI:NL:CRVB:2012:BY0857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering en procedurele fouten bij bezwaar en beroep
Appellant, een voormalig kwekerijmedewerker met Marokkaanse nationaliteit, vroeg een WAO-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV weigerde deze uitkering op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze weigering ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat het besluit van 18 februari 2010 geen nieuw primair besluit was, maar een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het besluit van 28 september 2000. Volgens de Algemene wet bestuursrecht had het UWV het bezwaarschrift als beroepschrift moeten doorzenden naar de rechtbank. Door dit niet te doen, heeft appellant onnodige kosten voor rechtsbijstand moeten maken.
Medisch onderzoek toonde aan dat appellant per einde wachttijd niet arbeidsongeschikt was door psychische klachten, aangezien het psychiatrisch ziektebeeld pas later in ontwikkeling was. De Raad onderschreef het oordeel van de verzekeringsarts en verwierp de medische verklaringen van appellant in hoger beroep.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit over het bezwaar, verklaarde het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en griffierechten. De weigering van de WAO-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd, maar het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten wegens procedurefouten.