ECLI:NL:CRVB:2012:BY0448
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing recht op huishoudelijke verzorging bij weigering medisch onderzoek
Betrokkene vroeg verlenging van huishoudelijke verzorging (HV) op grond van de Wmo. Het college stelde dat niet kon worden vastgesteld of zijn inwonende zonen, die mogelijk gebruikelijke zorg konden bieden, hiertoe in staat waren omdat zij weigerden mee te werken aan medisch onderzoek. De voorzieningenrechter vernietigde het besluit en beval nader onderzoek.
Het college voerde in hoger beroep aan dat het voldoende onderzoek had gedaan, onder meer via huisartsgegevens en een huisbezoek dat betrokkene en zijn zonen weigerden. De Raad oordeelde dat het college terecht medisch onderzoek had verricht en dat het niet zonder meer gevolgen mocht verbinden aan de weigering van de zonen om te verschijnen.
De Raad bevestigde dat het recht op HV afhankelijk is van de gezamenlijke mogelijkheden van de leefeenheid en dat gebruikelijke zorg door gezinsleden eerst moet worden onderzocht. Omdat betrokkene geen medische contra-expertise overlegde en het huisbezoek niet doorging, kon niet worden vastgesteld dat de zonen niet in staat waren huishoudelijke taken te verrichten. Het beroep tegen het besluit van 8 maart 2011 werd ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelde appellant in de proceskosten van betrokkene en bevestigde het belang van zorgvuldig medisch onderzoek bij het vaststellen van aanspraken op maatschappelijke ondersteuning.
Uitkomst: Het beroep van het college wordt ongegrond verklaard en het recht op huishoudelijke verzorging kan niet worden vastgesteld vanwege onvoldoende medisch onderzoek en weigering medewerking.