ECLI:NL:CRVB:2012:BY0322

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2411 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 7:1 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen intrekking bijstand en terugvordering

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand met ingang van 1 juli 2008 in omdat de woonplaats van appellante niet kon worden vastgesteld. Appellante maakte geen tijdig bezwaar tegen dit intrekkingsbesluit.

Na een mondelinge klacht en een nieuwe aanvraag werd de bijstand vanaf 25 juni 2009 opnieuw toegekend. Het college vorderde vervolgens de kosten van de bijstand over de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 mei 2009 terug, wat appellante betwistte via bezwaar. Dit bezwaar werd deels niet-ontvankelijk verklaard (voor zover gericht tegen de intrekking) en deels ongegrond (voor zover gericht tegen de terugvordering).

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij mocht vertrouwen op de mondelinge mededeling dat geen bezwaar schriftelijk hoefde te worden ingediend. De Raad oordeelde dat de mondelinge klacht niet voldoet aan de wettelijke eisen voor bezwaar, dat appellante de termijn voor bezwaar tegen het intrekkingsbesluit heeft overschreden en dat er geen verschoonbare reden voor deze termijnoverschrijding is. Het intrekkingsbesluit is daardoor onaantastbaar geworden, en de terugvordering van ten onrechte verleende bijstand is terecht.

Het college handhaafde het beleid van terugvordering, en appellante kon geen bijzondere omstandigheden aandragen die een uitzondering rechtvaardigen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

10/2411 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2010, 09/5416 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak 16 oktober 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.A. Belfor, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 24 juli 2012. Partijen, waarvan het college met voorafgaand bericht, zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand.
1.2. Bij besluit van 18 juni 2009, nader toegelicht bij besluit van 22 juni 2009, heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2008 ingetrokken (intrekkingsbesluit) omdat niet is vast te stellen waar appellante woonachtig is. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.
1.3. Op 25 juni 2009 heeft appellante zich bij het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) gemeld. Zij heeft zich bij een medewerker van de DWI mondeling beklaagd over de intrekking van de bijstand en een nieuwe aanvraag om bijstand gedaan. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het college bij besluit van 10 juli 2009 aan appellante met ingang van 25 juni 2009 weer bijstand toegekend.
1.4. Bij besluit van 4 september 2009 heeft het college de over de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 mei 2009 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.622,81 van appellante teruggevorderd en daarbij meegedeeld dat ter invordering met ingang van 1 september 2009 elke maand € 24,04 op de bijstand van appellante zal worden ingehouden.
1.5. Appellante heeft tegen het besluit van 4 september 2009 bezwaar gemaakt. In haar bezwaarschrift bestrijdt zij zowel de intrekking van de bijstand per 1 juli 2008 als de terugvordering.
1.6. Bij besluit van 29 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante voor zover gericht tegen de intrekking niet-ontvankelijk en voor zover gericht tegen de terugvordering ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat zij zich op 25 juni 2009 na ontvangst van de onder 1.2 genoemde besluiten heeft gemeld bij de DWI, omdat zij de Nederlandse taal niet machtig is en meer informatie wilde verkrijgen. De betrokken medewerker van de DWI heeft haar toen het advies gegeven onmiddellijk weer bijstand aan te vragen en niet gezegd dat zij alsnog schriftelijk bezwaar moest maken tegen de intrekking. Haar is meegedeeld dat zij voor voortzetting van de bijstand in aanmerking komt door onmiddellijk een nieuwe aanvraag in te dienen. Appellante heeft vervolgens een aanvraag om bijstand gedaan. Toen het college op 10 juli 2009 positief op de aanvraag had beslist, meende appellante dat daarmee haar mondelinge klacht gegrond was verklaard en dat de intrekking ongedaan zou worden gemaakt. Appellante stelt dat zij erop heeft mogen vertrouwen dat zij geen bezwaarschrift hoefde in te dienen tegen het intrekkingsbesluit.
4.2. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de mondelinge klacht van appellante niet kan worden opgevat als een bezwaarschrift in de zin van artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangezien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.
4.3. Het college heeft zich in zijn verweerschrift op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellante aan de toekenning van bijstand met ingang van 25 juni 2009 niet het vertrouwen kon ontlenen dat de intrekking per 1 juli 2008 geheel van de baan was. Verder bieden de gedingstukken geen aanknopingspunt voor de stelling van appellante dat op dat punt door de betrokken medewerker van de DWI een toezegging is gedaan.
4.4. Nu appellante pas in haar bezwaarschrift tegen het terugvorderingsbesluit van 4 september 2009 bezwaar heeft gemaakt tegen het intrekkingsbesluit, heeft zij de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 van Pro de Awb overschreden. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft niet-ontvankelijkheid achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellante aangevoerde omstandigheden onvoldoende aanleiding geven om aan te nemen dat appellante niet in verzuim is geweest. In dit verband is mede van belang dat onder het intrekkingsbesluit een rechtsmiddelenclausule is opgenomen en dat appellante, na inschakeling van professionele rechtshulp, tegen het terugvorderingsbesluit tijdig bezwaar heeft gemaakt. Niet valt in te zien waarom appellante niet (ook) tegen het intrekkingsbesluit tijdig bezwaar heeft kunnen maken. Het beroep op verschoonbare termijnoverschrijding slaagt dan ook niet, zodat het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2009 voor wat betreft de intrekking terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
4.5. Nu het intrekkingsbesluit in rechte onaantastbaar is geworden, staat in rechte vast dat aan appellante over de periode in geding ten onrechte bijstand is verleend. Hieruit volgt dat het college bevoegd was om de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.
4.6. Het college voert het beleid dat, behoudens dringende redenen, steeds van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt. Appellante heeft tegen de terugvordering aangevoerd dat deze voldaan wordt door inhoudingen op haar bijstand en dat zij daarnaast geen andere inkomsten heeft. Het college heeft gehandeld in overeenstemming met zijn beleid. Hetgeen appellante heeft aangevoerd vormt geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van het beleid had moeten afwijken.
4.7. Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2012.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) V.C. Hartkamp
HD