ECLI:NL:CRVB:2012:BY0321

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/1097 BESLU + 12/1098 BESLU-S
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuurs- en rechterlijke fase

Betrokkene stelde beroep in tegen een bestuursbesluit van 5 juni 2009. De procedure duurde meer dan vier jaar, waarbij de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro werd overschreden. De Raad stelde vast dat zowel de bestuursfase als de rechterlijke fase te lang duurden.

De Staat erkende een overschrijding van ruim zeven maanden in de rechterlijke fase en stemde in met een vergoeding van € 1.000,-. Het bestuur erkende de langere bezwaarprocedure, maar voerde aan dat de duur gerechtvaardigd was vanwege noodzakelijk medisch en arbeidskundig onderzoek. Betrokkene stelde dat ook na correctie voor uitstel door contra-expertise sprake was van een overschrijding van meer dan twaalf maanden in de bezwaarprocedure.

De Raad oordeelde dat het risico van het noodzakelijke nader onderzoek in de bezwaarfase voor het bestuursorgaan komt en dat geen reden bestaat om een langere termijn te rechtvaardigen. De totale overschrijding van ruim anderhalf jaar leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-, waarvan € 1.000,- ten laste van de Staat en € 1.000,- ten laste van het bestuur. Daarnaast werden proceskosten van € 218,50 per partij toegewezen aan betrokkene.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 oktober 2012, waarbij de behandeling ter zitting achterwege bleef.

Uitkomst: De Staat en het bestuur worden veroordeeld tot een gezamenlijke schadevergoeding van € 2.000,- en proceskostenvergoeding aan betrokkene wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

12/1097 BESLU, 12/1098 BESLU-S
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Betrokkene] te Amsterdam (betrokkene)
de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)
het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel Amsterdam-Noord (bestuur)
PROCESVERLOOP
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het bestuur van 5 juni 2009, kenmerk ZV07-0004.
Bij uitspraak van 23 februari 2012, LJN BV7777, heeft de Raad beslist op dit beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van zijn uitspraak van heden genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspaak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tevens heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, een schriftelijke uiteenzetting gegeven en namens het bestuur mr. P.R.M. Berends-Schellens, advocaat. Namens betrokkene heeft mr. K. de Bie, advocaat, daarop gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een behandeling ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
1. In zijn uitspraak van 23 februari 2012 heeft de Raad vastgesteld dat vanaf de datum van het bezwaarschrift tot aan de datum van bedoelde uitspraak, de procedure meer dan vier jaar heeft geduurd. Voorts is vastgesteld dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn in zowel de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden.
2. Namens de Staat is - kort weergegeven - erkend dat de redelijke termijn, bedoel in artikel 6 van Pro het EVRM, in de rechterlijke fase met ruim zeven maanden is overschreden en dat verzoekster in verband daarmee een vergoeding van € 1.000,- toekomt.
3. Het bestuur heeft erkend dat de bezwaarprocedure langer heeft geduurd dan zes maanden, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat die (te) lange duur niet als een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM kan worden gekwalificeerd, nu er tijdens de bezwaarfase, op verzoek van beide partijen onafhankelijk medisch en arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Verder heeft het bestuur uit de procesopstelling van betrokkene tijdens de bezwaarfase afgeleid dat betrokkene aan een voortvarende afhandeling van het bezwaar geen doorslaggevend belang hechtte.
4. Betrokkene meent dat het niet aan haar te wijten is dat de behandelingsduur van haar bezwaren, uitgaande van 27 augustus 2007, met ruim vijftien maanden is overschreden. Zelfs indien rekening wordt gehouden met uitstel vanwege een door betrokkene uitgevoerde contra-expertise, is volgens betrokkene nog steeds sprake van een overschrijding van de bezwaarfase van meer dan twaalf maanden. In de berekening van de Staat kan betrokkene zich vinden.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. Zoals onder 1 is weergegeven, heeft de Raad vastgesteld dat de behandeling meer dan vier jaar heeft geduurd en er dus sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim anderhalf jaar. De Raad ziet geen aanleiding een langere behandelingsduur in de rechterlijke of bestuurlijke fase gerechtvaardigd te achten. Dat in de bezwaarfase nader onderzoek noodzakelijk is geacht, komt in beginsel voor risico van het bestuursorgaan. Reden om hierover in deze zaak anders te oordelen, ziet de Raad niet.
5.2. Voornoemde overschrijding leidt bij een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan tot een schadevergoeding van € 2.000,-. De Staat heeft op juiste wijze gemotiveerd waarom betrokkene een bedrag toekomt van € 1.000,- wegens overschrijding in de rechterlijke fase. Dit betekent dat het resterende bedrag van € 1.000,- ten laste komt van het bestuur. De Raad zal de Staat en het bestuur tot vergoeding van deze bedragen veroordelen.
6. De Raad ziet ten slotte aanleiding om de Staat en het bestuur te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze procedure. Deze kosten worden begroot op € 218,50 ten laste van de Staat en € 218,50 ten laste van het bestuur, voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan betrokkene van € 1.000,-;
-veroordeelt het bestuur tot betaling van een schadevergoeding aan betrokkene van € 1.000,-;
-veroordeelt de Staat in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 218,50;
-veroordeelt het bestuur in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 218,50.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2012.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) N.M. van Gorkum
HD