ECLI:NL:CRVB:2012:BX9048

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4972 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, een reachtruckchauffeur, viel op 15 augustus 2006 uit wegens rugklachten. Na een verlengde loondoorbetalingsplicht tot 30 oktober 2009, besloot het UWV dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was volgens de wet. Dit besluit werd op bezwaar gehandhaafd en door de rechtbank Breda bevestigd.

Appellant stelde in hoger beroep dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn rug- en psychische klachten, waardoor hij niet in staat zou zijn de geselecteerde functies te vervullen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de beperkingen niet waren onderschat.

Ook de arbeidskundige beoordeling werd als juist beoordeeld; er waren geen aanwijzingen dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant overschreden. De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd moest worden en dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

11/4972 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 juli 2011, 10/3445 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 21 september 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.R. Klaver hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.
Bij brieven van 4 oktober 2011 en 30 juli 2012 heeft het Uwv verweer gevoerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klaver. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. M.P.W.M. Wiertz.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 15 augustus 2006 wegens rugklachten uitgevallen voor zijn werk als reachtruckchauffeur bij een opslag- en distributiebedrijf. Na een verlengde loondoorbetalingsplicht van de werkgever van appellant tot 30 oktober 2009 is de beoordeling van de aanvraag van appellant tot het ontvangen van een WIA-uitkering enige tijd opgeschort.
1.2. Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 30 oktober 2009 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat appellant niet arbeidsongeschikt is in de zin van die wet.
1.3. Bij beslissing op bezwaar van 9 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 29 oktober 2009 ongegrond verklaard. Dit bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant met ingang van 30 oktober 2009 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingediende beroep ongegrond verklaard. De rechtbank acht het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de volledigheid van de bij appellant vastgestelde beperkingen. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat ten onrechte functies zijn geduid die appellant vanwege de vastgestelde beperkingen niet zou kunnen vervullen.
3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Evenals in bezwaar en beroep heeft hij in hoger beroep aangevoerd dat bij de vaststelling van zijn beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met zijn rugklachten en dat ook aan zijn psychische klachten onvoldoende aandacht is besteed door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Hij acht zichzelf vanwege zijn klachten niet in staat tot het vervullen van de geselecteerde functies.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De rechtbank heeft de eerder aangevoerde gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld en dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd heeft waarom de in beroep door appellant overgelegde stukken geen aanleiding geven om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. Ook in hoger beroep zijn geen medische gegevens overgelegd die aanknopingspunten bieden om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen.
4.2. Ten slotte kan worden vastgesteld dat er evenmin aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de belasting die is verbonden aan de functies die bij de schatting in aanmerking zijn genomen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid overschrijdt. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting overweegt de Raad in dit verband nog dat de stelling van appellant dat de functies voor hem medisch niet haalbaar zijn, in overwegende mate is gebaseerd op zijn - blijkens het vorenoverwogene - niet door de Raad gevolgde - opvatting dat zijn beperkingen zijn onderschat.
4.3. Uit het overwogene onder 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en M.C. Bruning en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2012.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) M.R. Schuurman
EK