ECLI:NL:CRVB:2012:BX8875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-opgave vermogen houtbewerkingsmachines
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd geconfronteerd met een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van mei 2005 tot september 2007. Het college stelde vast dat appellant in strijd met zijn inlichtingenverplichting niet had opgegeven dat hij vier houtbewerkingsmachines bezat, waardoor zijn totale vermogen het vrij te laten vermogen overschreed.
Het college baseerde de terugvordering mede op een onderzoek van de sociale recherche, waarbij huisbezoek, getuigenverhoren en andere informatiebronnen werden geraadpleegd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de machines hobbymatig werden gebruikt en dat de waarde onjuist was vastgesteld, en dat lijfrentepolissen ten onrechte tot zijn vermogen werden gerekend.
De Raad oordeelde dat de lijfrentepolissen terecht tot het vermogen werden gerekend en dat de houtbewerkingsmachines, gelet op hun aantal en aanschafwaarde, niet als algemeen gebruikelijke bezittingen in natura konden worden aangemerkt. De vraag of de machines hobbymatig werden gebruikt was niet relevant. De waarde van de machines werd vastgesteld op basis van de door appellant zelf opgegeven waarde, wat hem niet benadeelde.
Gezien het voorgaande werden de gronden van het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-opgave van vier houtbewerkingsmachines wordt bevestigd.