ECLI:NL:CRVB:2012:BX8138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- J.F. Bandringa
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-naleving inlichtingenverplichting en werkzaamheden
Appellante ontving sinds 1981 bijstand en werd verdacht van het verrichten van niet-gemelde werkzaamheden. Na onderzoek door de Sociale Recherche Fryslân werd vastgesteld dat zij vanaf 2000 tot februari 2009 werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Het bestuur trok de bijstand over deze periode in en vorderde de kosten terug. De rechtbank Leeuwarden vernietigde dit besluit deels en bepaalde een herziening en gedeeltelijke intrekking van de bijstand, waarbij appellante slechts gedeeltelijk werkzaam zou zijn geweest vanaf 2000.
In hoger beroep voerde appellante aan dat onvoldoende bewijs bestond voor werkzaamheden vanaf 2000, maar de Raad oordeelde dat uit het onderzoeksrapport en getuigenverklaringen blijkt dat zij wel degelijk in die periode werkte. De Raad bevestigde dat schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond vormt voor intrekking van bijstand indien het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het bestuur in het bestreden besluit op gunstige wijze had gehandeld ten opzichte van appellante en dat het beroep ongegrond is. De intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 januari 2004 tot maart 2005 is gerechtvaardigd omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht op bijstand had indien zij aan de inlichtingenverplichting had voldaan.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.