ECLI:NL:CRVB:2012:BX7621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging medeterugvordering IOAZ-uitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante voerde samen met [H.] een gezamenlijke huishouding zonder dit te melden aan het college, terwijl [H.] sinds 1 januari 2005 een IOAZ-uitkering ontving. Naar aanleiding van een onderzoek door het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen heeft het college de uitkering van [H.] herzien en de ten onrechte betaalde uitkering mede van appellante teruggevorderd.
Appellante maakte bezwaar tegen deze medeterugvordering, stellende dat zij niet op de hoogte was van de uitkering en geen profijt had gehad. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 26, tweede lid, IOAZ het college verplicht is tot medeterugvordering wanneer sprake is van gezamenlijke huishouding zonder melding. Het evenredigheidsbeginsel is hierbij niet van toepassing. Ook het ontbreken van kennis of profijt door appellante doet hieraan niet af. Er waren geen dringende redenen om van medeterugvordering af te zien, zodat het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de medeterugvordering van de IOAZ-uitkering aan appellante bevestigd.