ECLI:NL:CRVB:2012:BX7037
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs van feitelijke bewoning
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf aan te zijn verhuisd naar een kamer met een huurprijs van €300. De gemeente Tilburg stelde een onderzoek in naar zijn woonsituatie. Tijdens het onderzoek, inclusief een huisbezoek, werden vrijwel geen persoonlijke bezittingen van appellant aangetroffen op het opgegeven adres. Appellant gaf aan dat zijn spullen elders waren, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De gemeente trok de bijstand in met ingang van 14 januari 2010 omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat ondanks de inschrijving in de GBA en een huurovereenkomst, de feitelijke situatie onvoldoende bewijs leverde dat appellant daadwerkelijk op het adres woonde.
De Raad overwoog dat appellant geen geloofwaardige verklaring gaf voor het achterlaten van zijn inboedel op het voormalige adres en dat de kamer niet afgesloten was en geen sleutel passend bij de toegangsdeur aanwezig was. De Raad concludeerde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende bewijs van feitelijke bewoning op het opgegeven adres.