ECLI:NL:CRVB:2012:BX6626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.C.P. Venema
- H.J. de Mooij
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op tegemoetkoming onderhoudskosten voor dochter die niet tot huishouden behoort
Appellante maakte aanspraak op een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG 2000) voor haar dochter. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde bij besluit van 7 april 2010 vast dat appellante vanaf het derde kwartaal van 2006 geen recht meer had op deze tegemoetkoming, omdat de dochter niet meer bij haar in huis woonde.
Appellante voerde bezwaar aan en het bezwaar werd deels gegrond verklaard, waarna de datum van het vervallen recht werd vastgesteld op 1 oktober 2009. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad overwoog dat het begrip 'tot het huishouden behoren' in de TOG 2000 aansluit bij artikel 7 van Pro de Algemene kinderbijslagwet en dat het beleid van de Svb juist is door te stellen dat het kind op dezelfde plaats moet wonen als de overige gezinsleden of het merendeel van de nachten (minimaal vier per week) daar moet doorbrengen. In dit geval woont de dochter niet op dezelfde plaats en verblijft zij niet het merendeel van de nachten bij appellante. Dat de dochter wel in belangrijke mate door appellante wordt onderhouden, is onvoldoende om recht op tegemoetkoming te verlenen.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellante geen recht meer heeft op tegemoetkoming wordt bevestigd.