ECLI:NL:CRVB:2012:BX6626

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4445 TOG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 TOG 2000Art. 7 Akw
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op tegemoetkoming onderhoudskosten voor dochter die niet tot huishouden behoort

Appellante maakte aanspraak op een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG 2000) voor haar dochter. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde bij besluit van 7 april 2010 vast dat appellante vanaf het derde kwartaal van 2006 geen recht meer had op deze tegemoetkoming, omdat de dochter niet meer bij haar in huis woonde.

Appellante voerde bezwaar aan en het bezwaar werd deels gegrond verklaard, waarna de datum van het vervallen recht werd vastgesteld op 1 oktober 2009. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Raad overwoog dat het begrip 'tot het huishouden behoren' in de TOG 2000 aansluit bij artikel 7 van Pro de Algemene kinderbijslagwet en dat het beleid van de Svb juist is door te stellen dat het kind op dezelfde plaats moet wonen als de overige gezinsleden of het merendeel van de nachten (minimaal vier per week) daar moet doorbrengen. In dit geval woont de dochter niet op dezelfde plaats en verblijft zij niet het merendeel van de nachten bij appellante. Dat de dochter wel in belangrijke mate door appellante wordt onderhouden, is onvoldoende om recht op tegemoetkoming te verlenen.

Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellante geen recht meer heeft op tegemoetkoming wordt bevestigd.

Uitspraak

11/4445 TOG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 23 juni 2011, 10/2110 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak 5 september 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.C.A. Stoop, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Stoop. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 7 april 2010 heeft de Svb bepaald dat appellante vanaf het derde kwartaal van 2006 geen recht meer heeft op een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG 2000) voor haar dochter [naam dochter]. Hieraan ligt ten grondslag dat [naam dochter] met ingang van 1 juli 2006 niet meer bij appellante in huis woont.
1.2. Bij besluit van 2 juli 2010 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2010 ongegrond verklaard. Bij besluit van 5 november 2010 (bestreden besluit 2) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2010 alsnog gegrond verklaard en de datum met ingang waarvan geen recht meer bestaat op een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 bepaald op 1 oktober 2009.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover van belang - het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 geheel in stand blijven.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de TOG 2000 heeft de natuurlijke persoon die hier te lande woont en tot wiens huishouden het kind hier te lande op de peildag behoort over dat kwartaal recht op een tegemoetkoming in de onderhoudskosten van dat kind op grond van deze regeling.
4.1.2. In de toelichting op de TOG 2000 (Stcrt. 1999, 249) is aangegeven dat met het begrip, aansluiting is gezocht bij artikel 7 van Pro de Algemene kinderbijslagwet (Akw). Ingevolge het eerste lid van artikel 7 van Pro de Akw heeft de verzekerde recht op kinderbijslag voor een eigen kind (…) dat a. jonger is dan zestien jaar en tot zijn huishouden behoort, of b. jonger is dan achttien jaar en door hem in belangrijke mate wordt onderhouden.
4.1.3. In de Beleidsregels SVB 2009, Stcrt. 2009, 10320, is, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad, opgenomen dat het begrip huishouden ziet “op de feitelijke situatie van het samenwonen. Daarbij wordt als hoofdregel gehanteerd dat van één huishouden sprake kan zijn indien de te beoordelen persoon op dezelfde plaats woont als waar zijn overige gezinsleden wonen. Bij twijfel of hiervan sprake is wordt een persoon geacht daar te wonen waar hij het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd doorbrengt (ten minste vier nachten per week).”
4.2. Niet kan worden gezegd dat de Svb met dit beleid op onjuiste wijze invulling heeft gegeven aan het begrip ‘tot de huishouding behoren’ van artikel 4 van Pro de TOG 2000.
4.3. In het onderhavige geval is geen sprake van een situatie waarin [naam dochter] op dezelfde plaats woont als haar overige gezinsleden. Dat haar ‘thuis’ naar de mening van appellante bij appellante is, doet daaraan niet af. Nu ook geen sprake is van een situatie waarin [naam dochter] het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd (ten minste vier nachten per week) doorbrengt bij appellante, moet worden geconcludeerd dat [naam dochter] niet tot het huishouden van appellante behoort.
4.4. Dat [naam dochter] in belangrijke mate wordt onderhouden door appellante kan niet tot de conclusie leiden dat zij recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000. Immers in artikel 4 van Pro de TOG 2000 is daarvoor vereist dat het kind tot het huishouden van betrokkene behoort. Dat recht op kinderbijslag kan bestaan voor een kind dat niet tot het huishouden behoort, maar wel jonger is dan achttien jaar en door de betrokkene in belangrijke mate wordt onderhouden, maakt dat niet anders.
4.5. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en H.J. de Mooij en J.M.A. van der Kolk- Severijns als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012.
(getekend) H.C.P. Venema
M.C. Nijholt
De griffier is buiten staat te tekenen