ECLI:NL:CRVB:2012:BX6625

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1647 ZFW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vergoeding buitenlandse zorgkosten wegens ontbreken nieuw feit

Appellant had een declaratie ingediend bij VGZ voor ziekenhuisopnamekosten in Turkije van 25 maart tot 13 mei 2002. VGZ weigerde deze vergoeding omdat alleen spoedeisende hulp in het buitenland wordt vergoed. Appellant verzocht later om heroverweging met een brief van een Turkse specialist die de spoedeisendheid bevestigde.

VGZ wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Roermond bevestigde deze afwijzing. In hoger beroep stelde appellant dat de brief een nieuw feit was in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de brief geen nieuw feit of veranderde omstandigheid bevatte omdat de informatie al bij het oorspronkelijke bezwaar had kunnen worden ingebracht. Daarom was VGZ bevoegd het verzoek af te wijzen met verwijzing naar het eerdere besluit. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het verzoek tot schadevergoeding en rente af.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van in het buitenland gemaakte zorgkosten wordt afgewezen wegens ontbreken van een nieuw feit.

Uitspraak

11/1647 ZFW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 januari 2011, 10/879 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
VGZ Zorgverzekeraar nv, gevestigd te Arnhem (VGZ)
Datum uitspraak 5 september 2012.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
VGZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012. Appellant is verschenen. VGZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.M. van Rijn.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 6 augustus 2002 heeft VGZ geweigerd een declaratie van appellant ten bedrage van € 5.003,82 te vergoeden op de grond dat in het buitenland gemaakte kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien er sprake is van spoedeisende hulp. De declaratie betrof een ziekenhuisopname in Turkije van 25 maart 2002 tot 13 mei 2002.
1.2. Appellant heeft VGZ bij brief van 18 december 2009 verzocht om terug te komen van het besluit van 6 augustus 2002. Hij heeft daarbij gewezen op een brief van 23 augustus 2009 van de Turkse specialist geestelijke gezondheid en ziekten dr. Günay ?etin, waarin deze verklaart dat appellant tussen 25 maart 2002 en 13 mei 2002 met spoed is opgenomen in het ziekenhuis in Balikli Rum te Istanbul, Turkije.
1.3. VGZ heeft het verzoek van appellant afgewezen bij besluit van 29 april 2010.
1.4. Bij besluit van 2 juni 2010 (bestreden besluit) heeft VGZ het bezwaar tegen het besluit van 29 april 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de brief van dr. Günay ?etin een nieuw feit is als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
4.2. De brief van dr. Günay ?etin van 23 augustus 2009 is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb, aangezien het gaat om een verklaring die informatie bevat die appellant naar voren had kunnen brengen in een bezwaarschrift tegen het besluit van 6 augustus 2002.
3. VGZ was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 6 augustus 2002. In hetgeen door appellant is gesteld, ziet de Raad geen grond te oordelen dat VGZ niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
4. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling of de gevraagde veroordeling van VGZ tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en H.J. de Mooij en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012.
(getekend) H.C.P. Venema
M.C. Nijholt
De griffier is buiten staat te tekenen
HD