ECLI:NL:CRVB:2012:BX6015
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over AOW-verzekering wegens onjuiste motivering ingezetenschap
Appellant, geboren in 1947, vroeg de Sociale verzekeringsbank (Svb) om een overzicht van zijn AOW-verzekeringstijdvakken. De Svb stelde dat appellant van 7 april 1962 tot en met 7 november 1966 niet verzekerd was omdat hij toen in Duitsland woonde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant duurzaam in Duitsland woonde en geen ingezetene van Nederland was.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij een duurzame persoonlijke band met Nederland behield en dat de Svb tekortschiet in haar zorgplicht door hem niet te informeren over vrijwillige verzekering bij terugkeer. De Raad overwoog dat ingevolge de Hoge Raad het begrip ingezetenschap een duurzame persoonlijke band met Nederland vereist, die niet per se sterker hoeft te zijn dan met een ander land. Appellant had echter Nederland metterwoon verlaten en had geen duurzame band in de periode 1962-1966.
De Raad oordeelde dat de Svb zijn besluit baseerde op onjuiste maatstaven en vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed. De Raad wees erop dat EU-recht geen recht geeft op AOW-verzekering bij verblijf in een andere lidstaat zonder nadere grondslag.
Uitkomst: Het besluit dat appellant niet verzekerd was voor de AOW van 1962 tot 1966 wordt vernietigd wegens onjuiste motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.