ECLI:NL:CRVB:2012:BX5878
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R.H.M. Roelofs
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid colleges bij afwijzing aanvraag bijstand en doorzendverplichting
Appellante diende op 19 september 2008 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college 1). Dit college wees de aanvraag af omdat appellante feitelijk woonachtig werd geacht in ’s-Gravenhage, waar zij ook verbleef en stond ingeschreven. Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing en verzocht college 1 de aanvraag opnieuw te beoordelen.
College 1 zond de aanvraag tijdens de bezwaarprocedure door naar het college van ’s-Gravenhage (college 2), maar behield haar standpunt dat zij bevoegd was om te beslissen. College 2 verleende later bijstand vanaf 25 februari 2009, maar nam geen beslissing over de oorspronkelijke aanvraag van 19 september 2008. De rechtbank oordeelde dat college 1 terecht bevoegd was en dat er geen doorzendverplichting bestond.
In hoger beroep stelde appellante dat college 1 niet bevoegd was en dat de aanvraag onverwijld had moeten worden doorgezonden naar college 2. De Raad overwoog dat op grond van de feiten en de wet college 1 bevoegd was om de aanvraag te beoordelen en dat de doorzending tijdens de bezwaarprocedure geen gevolgen had voor de bevoegdheid. Ook was er geen sprake van een domiciliegeschil dat een doorzendverplichting zou doen ontstaan.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellante geen recht had op bijstand van college 1 voor de periode vanaf 19 september 2008. Er bestond geen grond voor een in rechte te honoreren vertrouwen op een beslissing van college 2 over de oorspronkelijke aanvraag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.