ECLI:NL:CRVB:2012:BX5870
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- J.F. Bandringa
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering WWB wegens onjuiste toetsing gezamenlijke huishouding en duurzaam gescheiden leven
Appellant was van 26 december 1970 tot 16 augustus 2006 gehuwd met zijn echtgenote en er ontstond een geschil over de terugvordering van bijstandskosten door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college had bij besluit van 23 maart 2010 bijstand teruggevorderd voor de periode van 1 januari 2003 tot 31 januari 2010, waarbij werd aangenomen dat appellant en zijn echtgenote een gezamenlijke huishouding voerden vanaf 1 april 2005.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat het college een onjuiste maatstaf had gehanteerd door het criterium gezamenlijke huishouding toe te passen terwijl appellant en zijn echtgenote gedurende de periode 1 april 2005 tot 16 augustus 2006 nog gehuwd waren. Het college had moeten beoordelen of appellant duurzaam gescheiden leefde, wat volgens vaste rechtspraak betekent dat er een gewilde en bestendige verbreking van de echtelijke samenleving moet zijn.
Uit het onderzoek van de sociale recherche, verklaringen van appellant en zijn echtgenote, en buurtonderzoeken bleek dat appellant gedurende genoemde periode niet duurzaam gescheiden leefde, omdat hij vaak bij zijn echtgenote verbleef en er sprake was van een feitelijke samenwoning. Voor de periode van 16 augustus 2006 tot 31 januari 2010 stelde de Raad vast dat appellant en zijn echtgenote hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, wat het criterium gezamenlijke huishouding rechtvaardigt.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor het tijdvak 1 april 2005 tot 16 augustus 2006, verklaarde het beroep gegrond en liet de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte in stand. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de periode 1 april 2005 tot 16 augustus 2006 wegens onjuiste wettelijke grondslag.