ECLI:NL:CRVB:2012:BX5540

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5501 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 WuvArt. 21 WuvArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde aanvraag tegemoetkoming aanschaf auto op grond van Wuv

Appellant, erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), heeft herhaaldelijk een tegemoetkoming voor de aanschaf van een auto aangevraagd. Eerdere toekenningen vonden plaats in 1975, 1980 en eenmaal in 1989, waarbij toen geen medische noodzaak werd vastgesteld. Latere aanvragen werden steeds geweigerd.

Bij het bestreden besluit van 6 september 2011 werd ook de meest recente aanvraag afgewezen. Appellant stelde dat hij beperkingen ondervindt waardoor reizen met openbaar vervoer niet mogelijk is en dat taxi’s onbetrouwbaar zijn, maar hij heeft geen nieuwe medische feiten of verergering van klachten aangevoerd die een absolute verhindering tot taxi-gebruik aantonen.

De Raad overweegt dat voor toekenning een absolute verhindering tot taxi-gebruik vereist is, conform een strikte uitleg van de Wuv. Omdat appellant geen nieuwe gegevens heeft overgelegd en geen medisch onderzoek heeft laten verrichten, blijft het oordeel dat geen medische noodzaak of sociaal-medische wenselijkheid bestaat ongewijzigd.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door R. Kooper, in aanwezigheid van griffier M.C. Nijholt, op 23 augustus 2012.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van nieuwe medische feiten die een tegemoetkoming rechtvaardigen.

Uitspraak

11/5501 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak: 23 augustus 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 september 2011, kenmerk BZ01333206 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2012. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1932, is erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat zijn psychische klachten en gebitsklachten in causaal verband staan met de vervolging. In 1975 en 1980 zijn hem tegemoetkomingen toegekend voor de aanschaf van een auto. In 1989 is dit nogmaals gebeurd, echter uitsluitend vanwege mogelijk bij hem gewekte verwachtingen. Een medische noodzaak of sociaal-medische wenselijkheid voor deze voorziening werd niet (langer) aanwezig geacht. Nadien heeft appellant bij herhaling een tegemoetkoming voor de aanschaf van een auto aangevraagd, maar deze is hem steeds geweigerd. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 16 juni 2005, 04/1549 WUV (LJN AT7840).
1.2. Bij brief van 8 februari 2011 heeft appellant opnieuw om een tegemoetkoming voor de aanschaf van een auto verzocht. Bij besluit van 12 mei 2011, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder ook dit verzoek afgewezen.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1. Niet in geschil is, dat appellant zodanige beperkingen ondervindt dat hij niet met het openbaar vervoer kan reizen. Gelet op het beleid van verweerder is dat echter niet voldoende. Voor toekenning van een voorziening voor de aanschaf van een auto geldt tevens als eis dat sprake is van een absolute verhindering om gebruik te maken van een taxi. Deze eis is in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wuv en mag, gelet op het inmiddels algemeen gebruikelijke karakter van de voorziening, strikt worden uitgelegd (CRvB 16 mei 2007, LJN BA5837).
2.2. Bij zijn uitspraak van 16 juni 2005 heeft de Raad overwogen dat al eerder was vastgesteld dat bij appellant van zo'n algehele verhindering geen sprake is en dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd waarin aanleiding had moeten worden gevonden om van die vaststelling terug te komen.
2.3. Appellant heeft niet gemotiveerd gesteld dat hij nieuwe klachten heeft of dat zijn bestaande klachten zijn verergerd. Evenmin heeft hij nieuwe gegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat het hem niet (langer) mogelijk is om met een taxi te reizen. Hij heeft in hoofdzaak gesteld dat taxibusjes vaak te laat zijn, een hoop gedoe geven en dat hij gezien zijn leeftijd en zijn kwalen nu wel eens aan de beurt is voor een auto. Gelet hierop mocht verweerder zich, in navolging van zijn geneeskundig adviseurs, op het standpunt stellen dat voor een nieuw medisch onderzoek geen aanleiding bestond. Aan appellant is uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om zelf zo'n onderzoek te laten instellen, maar daarvan heeft hij geen gebruik gemaakt. Onder deze omstandigheden behoefde verweerder niet terug te komen van zijn oordeel dat bij appellant geen sprake is van een medische noodzaak of sociaal-medische wenselijkheid voor de gevraagde voorziening.
2.4. Dat appellant in het - verre - verleden wel tegemoetkomingen voor de aanschaf van een auto heeft ontvangen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Met die omstandigheid is reeds rekening gehouden in 1989, toen hem ondanks het ontbreken van een medische of medisch-sociale indicatie toch nog éénmaal de voorziening is toegekend. Tot een verdergaande tegemoetkoming was verweerder niet gehouden.
2.5. Het beroep moet dus ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2012.
(getekend) R. Kooper
(getekend) M.C. Nijholt
HD