ECLI:NL:CRVB:2012:BX5156

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1173 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 WWBArt. 34 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag wegens overschrijding vermogensgrens

Appellante heeft op 12 februari 2009 een aanvraag ingediend voor langdurigheidstoeslag op grond van artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen wees deze aanvraag op 5 maart 2009 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 26 juni 2009.

De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Het geschil spitste zich toe op de vraag of appellante op 15 augustus 2005 over vermogen beschikte dat de geldende vermogensgrens overschreed.

De Raad oordeelde dat appellante in de periode van 15 augustus 2005 tot en met 30 juni 2008 vermogen had dat hoger was dan de toegestane grens volgens artikel 34, vierde lid, onder b, van de WWB. Omdat deze periode binnen de referteperiode van 60 maanden valt, voldoet appellante niet aan de voorwaarden voor de langdurigheidstoeslag. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag wordt afgewezen wegens overschrijding van de vermogensgrens in de referteperiode.

Uitspraak

10/1173 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 januari 2010, 09/1276 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.A.J.M. Niederer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2012, samen met de gevoegde zaken 10/1149, 10/1172, 12/2606 en 12/2607. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.G. Kubben. In voormelde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft op 12 februari 2009 een langdurigheidstoeslag aangevraagd als bedoeld in artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Bij besluit van 5 maart 2009 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.3. Bij besluit van 26 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 maart 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Ter zitting van de Raad is gebleken dat tussen partijen uitsluitend in geschil is de vraag of appellante op 15 augustus 2005 beschikte over een vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord kan appellante, naar haar gemachtigde ter zitting heeft verklaard, zich vinden in het bestreden besluit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB en de Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand van de gemeente Sittard-Geleen, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van Pro de WWB heeft.
4.2. In de tussen partijen gegeven uitspraak van heden, 10/1149, 10/1172, 12/2606 en 12/2607, is geoordeeld dat appellante in de periode van 15 augustus 2005 tot en met 30 juni 2008 beschikte over vermogen dat meer bedroeg dan de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, vierde lid en onder b, van de WWB. Deze periode bestrijkt een gedeelte van de in dit geval in aanmerking te nemen referteperiode van 60 maanden. Dit betekent dat in zoverre niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van langdurigheidstoeslag zoals neergelegd in de onder 4.1 genoemde bepaling.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2012.
(getekend) J.C.F. Talman
(getekend) J.M. Tason Avila
HD