ECLI:NL:CRVB:2012:BX4894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing artikel 38b Ziektewet inzake terugwerkende kracht ziekengeld
In deze zaak stond de uitleg van artikel 38b, tweede lid, van de Ziektewet centraal, met name de vraag over de maximale periode waarover ziekengeld met terugwerkende kracht kan worden toegekend bij een tijdige melding door de werkgever.
Betrokkene had aanspraak gemaakt op ziekengeld over ziekteperiodes die meer dan een jaar vóór de melding lagen, waarop het UWV dit had geweigerd. De rechtbank had het besluit van het UWV vernietigd en een ruimere terugwerkende kracht aangenomen, mede op basis van een vermeend bestendig beleid van het UWV en de memorie van toelichting.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de tekst van artikel 38b, tweede lid, ZW, in samenhang met de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie, duidelijk maakt dat ziekengeld met terugwerkende kracht slechts tot maximaal één jaar vóór de melding kan worden toegekend. De Raad verwierp het beroep van betrokkene en bevestigde dat een incidentele fout in de uitvoering niet leidt tot een afwijkend beleid.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd dat ziekengeld met terugwerkende kracht maximaal één jaar vóór de melding kan worden toegekend.