ECLI:NL:CRVB:2012:BX3870
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens weigering arbeidsinschakeling ondanks fysieke beperkingen
Appellante ontving bijstand en weigerde mee te werken aan door het college aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, zoals de EVA-verpakkingslijn en het traject Werkladder. Het college legde haar daarom meerdere malen een maatregel op in de vorm van verlaging van de bijstand. Appellante voerde aan dat haar fysieke beperkingen deelname onmogelijk maakten en dat de maatregel disproportioneel was.
De rechtbank oordeelde dat het college voldoende medisch en arbeidskundig onderzoek had verricht en dat de aangeboden werkzaamheden passend waren. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het college bevoegd was de maatregel op te leggen. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikel 13 ESH Pro faalt omdat geen onevenredige nadelige gevolgen zijn aangetoond.
De Raad gaat ook in op de duur van de maatregel en oordeelt dat de rechtbank terecht de duur van de verlaging heeft teruggebracht van vier naar twee maanden. Het verzoek van appellante om de maatregel verder terug te brengen wordt afgewezen omdat zij voorafgaand aan mei 2009 geen gedragsverandering toonde.
De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% gedurende twee maanden wegens weigering arbeidsinschakeling wordt bevestigd.