ECLI:NL:CRVB:2012:BX3803
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken aanhangig hoger beroep
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak en vervolgens een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep heeft bij een eerdere uitspraak geoordeeld dat de Raad onbevoegd was omdat niet langer voldaan was aan de voorwaarde dat er een hoger beroep aanhangig moest zijn.
Hoewel het voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, moet dit hoger beroep wel aanhangig zijn op het moment van de aanvraag. Omdat dit niet het geval was, is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De beslissing is genomen door J.J.A. Kooijman, in aanwezigheid van griffier P.N. Rijnsewijn, en uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2012.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen hoger beroep meer aanhangig is.