ECLI:NL:CRVB:2012:BX3199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving sinds 1991 bijstand en gaf op woonachtig te zijn op een specifiek uitkeringsadres. Na een melding dat appellant mantelzorger was voor zijn vriendin, startte de Dienst Werk en Inkomen een onderzoek. Uit het onderzoek, waaronder een huisbezoek, bleek dat appellant nauwelijks op het uitkeringsadres verbleef en de woning een onbewoonde indruk maakte.
Het college trok de bijstand per 27 januari 2010 in wegens het niet juist verstrekken van informatie over zijn hoofdverblijf. Appellant voerde aan dat hij mantelzorger was en daardoor minder thuis was, maar gaf niet aan dat hij zijn hoofdverblijf had verplaatst. Hij weigerde het adres van zijn vriendin bekend te maken.
Appellant deed een nieuwe aanvraag bijstand, maar slaagde er niet in aan te tonen dat zijn woonsituatie was gewijzigd. De rechtbank wees de beroepen tegen de intrekking en afwijzing ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraken en oordeelt dat het college bevoegd en zorgvuldig heeft gehandeld.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en geen wijziging in omstandigheden heeft aangetoond.