ECLI:NL:CRVB:2012:BX2515
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering en maatschappelijke opvang voor kwetsbare vreemdeling zonder verblijfstitel
Verzoeker, een Somalische vreemdeling zonder verblijfstitel, vroeg bijstand en maatschappelijke opvang aan, welke door het college werden afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat verzoeker een vrijheidsbeperkende maatregel onderging. De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat verzoeker wel procesbelang heeft, omdat het ging om financiële aanspraken en mogelijke schade door weigering van opvang.
De Raad bevestigde dat verzoeker op grond van artikel 16, tweede lid, van de WWB is uitgesloten van bijstand, ondanks zijn kwetsbare positie onder artikel 8 EVRM Pro. Positieve verplichtingen uit het EVRM kunnen niet via de WWB worden ingevuld, maar liggen bij andere bestuursorganen zoals het COA. Verzoekers aanvraag om maatschappelijke opvang werd afgewezen omdat hij door het CIZ was geïndiceerd voor AWBZ-zorg met verblijf, welke hij feitelijk kon ontvangen.
De Raad oordeelde dat het niet gebruiken van deze zorg voor rekening en risico van verzoeker komt en dat er geen noodzaak tot maatschappelijke opvang bestaat. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard; verzoeker heeft geen recht op bijstand of maatschappelijke opvang.