ECLI:NL:CRVB:2012:BX2216

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-783 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is sinds 29 augustus 2009. De rechtbank Roermond heeft in eerste aanleg het beroep ongegrond verklaard na onderzoek door een orthopedisch chirurg en een psychiater, die geen medische beperkingen vonden die niet reeds in de beoordeling waren meegenomen.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek van de psychiater onzorgvuldig was, aanvullend onderzoek nodig was en dat onvoldoende aandacht was besteed aan zijn vermoeidheidsklachten. De Centrale Raad van Beroep volgt echter de hoofdregel dat het oordeel van een onafhankelijke deskundige door de bestuursrechter wordt gevolgd, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

De Raad heeft geen aanwijzingen gevonden om van deze hoofdregel af te wijken en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Appellant heeft geen nieuwe medische informatie aangeleverd die een ander oordeel rechtvaardigt. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

12/783 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 december 2011, 10/140 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 juli 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wege. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.
OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitvoerige weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
1.2. Bij besluit van 19 augustus 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat appellant met ingang van 29 augustus 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
1.3. Bij beslissing op bezwaar van 22 december 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
2.1. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In verband met de afwijkende verklaringen in verband met mogelijke afwijkingen op orthopaedisch gebied van appellant van enerzijds de bewaarverzekeringsarts van het Uwv en anderzijds de behandelend specialist, heeft de rechtbank de deskundige, de orthopaedisch chirurg prof. dr. R.P.H. Veth, appellant laten onderzoeken en een aantal vragen gesteld over de belastbaarheid van appellant. Prof. Veth heeft in een rapportage van 8 september 2010 aangegeven op zijn gebied geen medische beperkingen gevonden te hebben die ten onrechte bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant buiten beschouwing zijn gebleven. Voorts heeft de rechtbank de psychiater, drs. H.J.J. Fennema, benoemd als medisch deskundige voor het instellen van een onderzoek. In een rapportage van 9 september 2011 heeft Fennema onder meer aangegeven thans en ook in het verleden geen aanwijzingen te vinden voor psychiatrische disfuncties.
2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met inachtneming van de rapporten van de behandelaars van appellant alsmede de rapporten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, is de rechtbank van oordeel dat de klachten van appellant niet zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelende sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. In ieder geval is niet gebleken dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was te achten om - binnen de voor hem geldende beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten. De rechtbank heeft voorts overwogen aan de eigen beleving van appellant over zijn beperkingen en het al dan niet kunnen werken geen doorslaggevende betekenis te mogen toekennen.
3. In hoger beroep heeft appellant zich onder meer op het standpunt gesteld dat de deskundige Fennema een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht, dat nader aanvullend onderzoek had moeten plaatsvinden en dat onvoldoende aandacht is besteed aan zijn vermoeidheidsklachten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat van deze hoofdregel af te wijken.
4.2. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot de aangevallen uitspraak hebben geleid. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpen op zijn medische situatie op de datum in geding, zijnde 29 augustus 2009.
5. Hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2012.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) D. Heeremans
NW