ECLI:NL:CRVB:2012:BX2151

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1136 WUV + 11-1137 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WuvArt. 5.2 Wet IB 2001
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vaststelling inkomsten uit vermogen bij Wuv-uitkering inclusief eigen woning

Appellante is gelijkgesteld met een vervolgde in de zin van de Wuv en ontvangt een periodieke uitkering. Bij besluiten van mei en juni 2010 werd het voorschot en de uitkering vastgesteld op nul euro, waartegen appellante bezwaar maakte. Zij stelde dat de waarde van haar eigen woning niet mee mocht worden genomen bij de vaststelling van inkomsten uit vermogen, omdat deze volgens haar buiten het voordeel uit sparen en beleggen valt zoals bedoeld in de Wet IB 2001.

De Raad overwoog dat artikel 19, vijfde lid, van de Wuv verwijst naar het percentage van de forfaitaire rendementsheffing uit artikel 5.2 van de Wet IB 2001, maar niet beperkt tot het voordeel uit sparen en beleggen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het niet de bedoeling was om de eigen woning uit te sluiten van de vermogensvaststelling. De minister heeft expliciet aangegeven geen uitzondering te willen maken voor eigenwoningbezitters.

Daarmee zijn de bestreden besluiten, waarin de waarde van de eigen woning wel wordt meegenomen, in stand gebleven. De beroepen van appellante zijn ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de waarde van de eigen woning mag worden meegenomen bij de vaststelling van inkomsten uit vermogen voor de Wuv-uitkering.

Uitspraak

11/1136 WUV, 11/1137 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
In het geding tussen:
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak: 19 juli 2012
PROCESVERLOOP
In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUV van de PUR.
Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 21 januari 2011, kenmerken BZ01202075 en BZ01202078 (bestreden besluiten). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante is bij besluit van 23 november 2009 gelijkgesteld met een vervolgde in de zin van de Wuv. Daarbij zijn haar een periodieke uitkering, een vergoeding voor huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend.
1.2. Bij besluit van 20 mei 2010 is het per 1 december 2009 door appellante te ontvangen voorschot op haar periodieke uitkering vastgesteld op € 0,00. Bij besluit van 18 juni 2010 is de uitkering met ingang van 1 januari 2009 vastgesteld op € 0,00. Appellante heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Verweerder heeft deze bezwaren bij de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1. De beide bestreden besluiten kennen een identieke motivering. Ook de door appellante in beroep met betrekking tot beide besluiten aangevoerde gronden zijn gelijk. Deze gronden komen er op neer dat verweerder bij het, op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wuv, in mindering brengen op de uitkering van de inkomsten uit vermogen, ten onrechte de waarde van de eigen woning van appellante en haar echtgenoot mede in aanmerking heeft genomen. Volgens appellante behoort de waarde van de eigen woning sinds de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bij de berekening van de inkomsten uit vermogen buiten beschouwing te blijven. Deze waarde valt immers buiten het in artikel 5.2 van die wet bedoelde voordeel uit sparen en beleggen. Appellante heeft er daarbij op gewezen dat artikel 19, vijfde lid, van de Wuv, uitdrukkelijk naar genoemde bepaling in de Wet IB 2001 verwijst.
2.2. De Raad volgt appellante niet in dit standpunt. Volgens artikel 19, vijfde lid, van de Wuv worden de inkomsten uit vermogen vastgesteld tot een percentage van dat vermogen, gelijk aan het percentage van de forfaitaire rendementsheffing, genoemd in artikel 5.2 van de Wet IB 2001. Er is dus niet bepaald dat de inkomsten uit vermogen in de zin van de Wuv zijn beperkt tot het voordeel uit sparen en beleggen, bedoeld in laatstgenoemde bepaling. Dat met het huidige artikel 19, vijfde lid, van de Wuv, niet is beoogd de eigen woning van de vermogensvaststelling uit te sluiten, blijkt uit de parlementaire geschiedenis van die bepaling. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in een brief aan de Tweede Kamer van 19 november 1999 (Tweede Kamer 1999-2000, 20454, nr. 53) uitdrukkelijk laten weten bereid te zijn tot aanpassing van het percentage van de vermogenskorting tot het percentage, genoemd in het Belastingplan 2001, maar het niet nodig te achten om voor bezitters van een eigen huis een uitzondering op het systeem van vermogenskorting te maken. Dienovereenkomstig blijkt uit de toelichting bij het huidige artikel 19, vijfde lid, van de Wuv (Tweede Kamer 1999-2000, 27184, nr. 3) dat het hier uitsluitend een aanpassing van het kortingspercentage betreft.
3. De bestreden besluiten houden dus in rechte stand. De Raad zal de beroepen tegen die besluiten ongegrond verklaren.
4. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2012.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) M.R. Schuurman
HD