ECLI:NL:CRVB:2012:BX1989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante vroeg een nabestaandenuitkering aan na het overlijden van haar echtgenoot in 2006. Aanvankelijk werd haar aanvraag afgewezen, maar na bezwaar toegekend met ingang van 1 januari 2006 vanwege arbeidsongeschiktheid van minimaal 45%. In 2009 werd na een nieuw onderzoek vastgesteld dat zij niet langer aan deze arbeidsongeschiktheidseis voldeed, waarna de uitkering per 31 maart 2009 werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat haar psychische en lichamelijke klachten onvoldoende waren meegewogen en dat zij niet in staat was de voorgestelde functies te vervullen. Diverse verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen bevestigden echter de juiste medische en arbeidskundige beoordeling, waarbij ook latere medische informatie geen aanleiding gaf tot herziening.
De Raad stelde vast dat de beëindiging van de uitkering niet per 1 april 2009, maar per 1 april 2010 moest ingaan vanwege een uitlooptermijn. Dit leidde tot vernietiging van de eerdere uitspraak en het besluit van 23 juli 2009. Het beroep tegen het nieuwe besluit van 5 maart 2012 werd ongegrond verklaard. De Raad veroordeelde de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De nabestaandenuitkering van appellante is terecht beëindigd per 1 april 2010 en niet per 1 april 2009.