ECLI:NL:CRVB:2012:BX1658

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4792 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWBArt. 4:84 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van kwijtschelding restantschuld bijzondere bijstand volgens debiteurenbeleid

Appellante had in 2006 bijzondere bijstand ontvangen voor woninginrichting ter hoogte van € 2.250,--, waarbij in het besluit stond dat de uitkering als gift werd verleend. Echter, op het mededelingenblad bij het besluit was een aflossingsverplichting opgenomen, wat duidt op een lening. Appellante vroeg in 2009 kwijtschelding van de restantschuld, waarop het college gedeeltelijke kwijtschelding verleende na betaling van 36 termijnen.

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit dat geen volledige kwijtschelding werd verleend, stellende dat de bijstand als gift was toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat de vermelding van 'gift' in het besluit een kennelijke fout was en dat het college de bijstand als lening had verleend, zoals blijkt uit de terugbetalingsverplichting en inhoudingen op de uitkering. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van het debiteurenbeleid rechtvaardigden, ook niet de psychische problematiek van appellante.

Daarom was het college niet verplicht tot volledige kwijtschelding van de restantschuld. Het beroep van appellante werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt afgewezen en de weigering tot volledige kwijtschelding van de restantschuld wordt bevestigd.

Uitspraak

10/4792 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juli 2010, 10/2418 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)
Datum uitspraak: 17 juli 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H. Gailjaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Gailjaard. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het college appellante op grond van artikel 35 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB) bijzondere bijstand toegekend in de kosten van woninginrichting tot een bedrag van € 2.250,--. In het besluit staat vermeld dat “deze uitkering als gift” wordt verleend. Op het bij dit besluit behorende blad “mededelingen” staat vermeld dat het genoemde bedrag in maandelijkse termijnen van € 42,02 terugbetaald dient te worden. Aflossing zal met ingang van 1 mei 2006 plaats vinden door middel van inhouding op haar uitkering.
1.3. Op 27 augustus 2009 heeft appellante verzocht om kwijtschelding van de restantschuld van de haar in 2006 verstrekte lening. Bij besluit van 2 december 2009 heeft het college dit verzoek ingewilligd op de grond dat appellante inmiddels 36 maanden het door het college vastgestelde aflossingsbedrag heeft voldaan. De termijnen die appellante heeft betaald boven deze 36 termijnen zal de dienst sociale zaken en werkgelegenheid aan haar terugbetalen.
1.4. Bij besluit van 22 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 december 2009 ongegrond verklaard op de grond dat geen aanleiding bestaat over te gaan tot kwijtschelding van het gehele aan appellante bij besluit van 11 mei 2006 toegekende bedrag aan bijzondere bijstand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante stelt zich op het standpunt dat in het besluit van 11 mei 2006 de bijstand “om niet” is verstrekt en derhalve ten onrechte geen kwijtschelding van het gehele bedrag van € 2.250,-- is verleend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De stelling van appellante dat de bijzondere bijstand als gift is verleend, treft geen doel. Weliswaar is in het besluit van 11 mei 2006 vermeld dat “deze uitkering als gift” wordt verleend, maar uit de opgelegde aflossingsverplichting blijkt dat dit als een kennelijke fout moet worden aangemerkt en dat het college de bijzondere bijstand heeft verleend als geldlening. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat het op het mededelingenblad vermelde aflossingsbedrag vrijwel overeenkomt met het bedrag dat op de uitkeringsspecificaties van mei en juni 2006 als inhouding op de bijstandsuitkering van appellante is opgevoerd en dat appellante nooit is opgekomen tegen die inhoudingen.
4.2. Vast staat dat appellante conform het van toepassing zijnde debiteurenbeleid kwijtschelding is verleend van het bedrag van de geldlening dat resteerde nadat hierop door appellante 36 termijnen is afgelost.
4.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het college aanleiding had moeten zien om, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van zijn debiteurenbeleid tot een hoger bedrag kwijtschelding te verlenen. Dat in het besluit van 11 mei 2006 staat dat het bedrag van € 2.250,-- als gift wordt verleend, levert niet een zodanige bijzondere omstandigheid op. Immers, op het bij dat besluit behorende, en daarvan deel uitmakende, mededelingenblad is vermeld dat zij het bedrag van € 2.250,-- moet terugbetalen. Weliswaar is het besluit van 11 mei 2006 daardoor, zoals het college ook heeft toegegeven, innerlijk tegenstrijdig, maar dit brengt niet met zich dat het college van zijn debiteurenbeleid had moeten afwijken. Ook in hetgeen appellante heeft gesteld over haar psychische problematiek heeft het college geen aanleiding hoeven te zien om van zijn debiteurenbeleid af te wijken.
4.4. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep niet. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.
(get.) W.F. Claessens.
(get.) J.T.P. Pot.
HD