ECLI:NL:CRVB:2012:BX1626

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3237 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.13 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van besluit tot intrekking studiefinanciering wegens verstrijken maximale termijn

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat per 1 september 2010 zijn recht op studiefinanciering werd beëindigd vanwege het verstrijken van de maximale termijn.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant geen recht meer had op studiefinanciering. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege omstandigheden buiten zijn schuld recht zou moeten hebben op studiefinanciering en dat de wet anders uitgelegd moest worden. Tevens stelde hij dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de wetstekst van artikel 2.13, eerste lid, aanhef en onder b, Wsf 2000 duidelijk is en geen afwijkende uitleg toelaat. Ook is geen sprake van omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. De Raad bevestigde dat het besluit voldoende is gemotiveerd en dat de rechtbank de gronden juist heeft beoordeeld.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van studiefinanciering wordt bevestigd.

Uitspraak

11/3237 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 april 2011, 10/1169 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak: 13 juli 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader J.G.M. Huijs. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.
OVERWEGINGEN
1. De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het beroep van appellant tegen het besluit van 13 augustus 2010 – waarbij de Minister, beslissend op bezwaar, heeft gehandhaafd haar besluit dat appellant als gevolg van het verstrijken van de maximale termijn waarover studiefinanciering kan worden verstrekt per 1 september 2010 geen recht meer heeft op studiefinanciering – ongegrond verklaard.
2.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het standpunt van appellant, dat nu hij de afgelopen tien jaren geen beroep heeft gedaan op onderwijsfaciliteiten en er geen sprake is van de voortzetting van de studie in 1999/2000 – een studie die hij slechts kort heeft gevolgd – hij voor studiefinanciering in aanmerking zou moeten kunnen komen, geen grondslag vindt in de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Appellant heeft gesteld dat de wet naar zijn bedoeling dient te worden uitgelegd.
2.2. Appellant heeft zich voorts gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de door appellant aangevoerde omstandigheden, die er kort samengevat op neer komen dat hij zijn studie buiten zijn schuld in 2000 heeft moeten beëindigen en dat hij buiten zijn schuld niet eerder werd toegelaten tot zijn huidige studie, niet kunnen worden aangemerkt als omstandigheden bedoeld in artikel 11.5 van de Wsf 2000.
2.3. Appellant heeft ten slotte gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gereageerd op zijn beroepsgrond dat het besluit van 13 augustus 2010 niet voldoende is gemotiveerd.
2.4. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunten als zijn vermeld in 2.1 en 2.2 in essentie naar voren gebracht hetgeen hij ook reeds in beroep naar voren heeft gebracht.
3.1.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in beroep aangevoerde gronden op juiste wijze besproken en beoordeeld.
3.1.2. Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat de tekst van artikel 2.13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wsf 2000 duidelijk is. Reeds hierom kan van een met deze tekst afwijkende uitleg van dit artikel geen sprake zijn.
De Raad wijst er overigens op dat de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling geen steun biedt voor de door appellant veronderstelde bedoeling van de wetgever. De Raad wijst op zijn uitspraken van 19 december 2008, LJN BG8394, 16 januari 2009, LJN BH0993 en 18 februari 2011, LJN BP5183.
3.1.3. Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 11.5 van de Wsf 2000. De Raad verenigt zich geheel met overweging 8 van de aangevallen uitspraak en heeft daaraan niets toe te voegen.
3.2. De grond van hoger beroep die is vermeld in 2.3 treft geen doel. Uit de wijze waarop de rechtbank het besluit van 13 augustus 2010 heeft besproken en beoordeeld volgt dat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat deze beroepsgrond niet slaagt.
Ook de Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het besluit niet de motivering bevat waarop het berust. In het besluit is de wettelijke grondslag waarop het berust uiteengezet, zijn de feiten en omstandigheden van belang vermeld en is uiteengezet tot welk besluit een en ander leidt.
3.3. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.1 en 3.2 treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2012.
(getekend) J. Brand.
(getekend) R. Baas.
KR