Appellant vroeg in 2006 een Wajong-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen in 2007 op basis van een arbeidsdeskundig rapport waarin werd vastgesteld dat appellant in staat was het minimumloon te verdienen. Bezwaar en beroep tegen deze beslissing werden ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank, bevestigd door de Raad in 2010.
In 2010 meldde appellant toegenomen medische klachten vanaf februari 2009 en verzocht om herziening van de uitkering. Het UWV weigerde dit, stellende dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van ongeschiktheid tot arbeid aan het einde van de wachttijd en dat hij niet ten minste zes maanden studerend was voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar baseerde zich daarbij op de per 1 januari 2010 gewijzigde Wet Wajong.
In hoger beroep stelde appellant dat de oude wetgeving van vóór 2010 van toepassing was omdat de datum van toegenomen arbeidsongeschiktheid 1 februari 2009 betrof. De Raad oordeelde dat de beoordeling inderdaad aan de oude wet moest worden getoetst en bevestigde het bestreden besluit. De Raad concludeerde dat appellant aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt was voor zijn arbeid en niet voldeed aan de studieverplichting, waardoor de weigering van herziening rechtmatig was.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank onder wijziging van de wettelijke grondslag en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van herziening van de Wajong-uitkering.
Uitspraak
10/7075 Wajong
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 december 2010, 10/3181 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 juli 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, geboren [in] 1989, heeft in 2006 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Deze aanvraag is door het Uwv afgewezen bij besluit van 26 oktober 2007. Dit besluit is mede gebaseerd op het rapport van de arbeidsdeskundige van 26 oktober 2007. De arbeidsdeskundige geeft aan dat de maatman van appellant degene is die het minimumloon kan verdienen, omdat hij voor zijn achttiende verjaardag vrijwel niet in het vrije bedrijf heeft gewerkt. Appellant hield het rondbrengen van folders één dag vol. Gelet op de loonwaarde van de voor hem geselecteerde functies acht de arbeidsdeskundige appellant in staat om het minimumloon te verdienen. Er is dan ook geen verlies aan verdiencapaciteit. In de rapportage van 27 maart 2008 heeft de bezwaararbeidsdeskundige aangegeven dat appellant tijdens de wachttijd in staat moet worden geacht op enig moment het minimumloon te verdienen. Het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2007 is bij het besluit van 25 februari 2008 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 juli 2009 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch het tegen het besluit van 25 februari 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad in zijn uitspraak van 21 april 2010 (LJN:BM1956) bevestigd.
1.2. Op 30 april 2010 heeft appellant toegenomen medische klachten gemeld vanaf februari 2009.
1.3. Bij besluit van 21 mei 2010 heeft het Uwv geweigerd de beslissing van 26 oktober 2007 te herzien. Het hiertegen gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 20 september 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard onder overweging dat appellant niet aan de voorwaarde voldoet van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid aan het einde van de wachttijd, noch aan de voorwaarde dat hij voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, ten minste zes maanden studerende was.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet in aanmerking komt voor toekenning van een Wajong-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid aan het einde van de wachttijd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009 (LJN:BK3730) heeft de rechtbank overwogen dat de maatman arbeid wordt gevormd door de ten behoeve van het besluit van 26 oktober 2007 geselecteerde functies, waarmee appellant in staat was om tenminste het minimumloon te verdienen. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt was voor zijn arbeid.
3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de de rechtbank de uitspraak ten onrechte heeft gebaseerd op de vanaf 1 januari 2010 geldende Wet Wajong. De datum in geding is 1 februari 2009. Appellant heeft een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong, zoals deze luidde tot 1 januari 2010. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij gedurende de wachttijd als bezorger van huis aan huisbladen werkzaamheden in loondienst heeft verricht.
3.2. Het Uwv heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht de Wet Wajong heeft toegepast, omdat de nieuwe melding van arbeidsongeschiktheid is gedaan na 1 januari 2010. Deze melding kan niet als een toenameclaim worden aangemerkt, omdat niet voldaan is aan de voorwaarde van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid aan het einde van de wachttijd. Het Uwv heeft een nadere rapportage van 9 februari 2011 ingebracht, waarin de bezwaararbeidsdeskundige aangeeft dat er geen aanleiding is om inzake de maatman af te wijken van de eerdere conclusie.
4.1. De Raad overweegt dat in de eerste plaats vastgesteld dient te worden welk wettelijk regiem geldend was ten tijde in geding. De Raad is van oordeel dat de weigering om appellant een uitkering ingevolge de Wajong toe te kennen in verband met een gestelde, na de weigering van zodanige uitkering per 26 oktober 2007, per 1 februari 2009 toegenomen arbeidsongeschiktheid, beoordeeld dient te worden aan de hand van de bepalingen van de Wajong zoals deze luidden tot 1 januari 2010. De beroepsgrond dat de rechtbank de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft gebaseerd op de op 1 januari 2010 in werking getreden Wet Wajong, treft dan ook doel. Het bestreden besluit berustte op een juiste wettelijke grondslag.
4.2 In artikel 19 eerstePro lid, aanhef en onder b, van de Wajong is het volgende bepaald:
“Indien de jonggehandicapte:
a. […]
b. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was; binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling voortkomt, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.”
4.3. De Raad stelt vast dat appellant aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt was voor zijn arbeid. Met de aan het besluit van 26 oktober 2007 ten grondslag gelegde functies was betrokkene immers in staat om ten minste het minimumloon te verdienen, waaruit volgt dat hij geschikt was voor de maatmanarbeid. In de in hoger beroep ingebrachte nadere rapportage heeft de bezwaararbeidsdeskundige aangegeven dat er geen aanleiding is om inzake de maatman af te wijken van de eerdere conclusie. De Raad is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor toekenning van een Wajong-uitkering met toepassing van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid aan het einde van de wachttijd. Evenmin is voldaan aan de voorwaarde dat appellant voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid ten minste zes maanden studerende was.
4.4. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de Raad tot het oordeel komt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd, zij het onder wijziging van de wettelijke grondslag.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en A.I. van der Kris en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2012.