ECLI:NL:CRVB:2012:BX1275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijstand in de vorm van geldlening wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) nadat hij vanwege verlies van inkomsten uit arbeid niet meer in zijn levensonderhoud kon voorzien. Het dagelijks bestuur kende hem bijstand toe in de vorm van een geldlening tot een bedrag van € 8.145,--, omdat appellant volgens hen tekortschietend besef toonde voor zijn eigen voorziening in het bestaan. Dit was mede gebaseerd op zijn instemming met een echtscheidingsconvenant waarbij hij een bedrag van € 14.795,-- pas zou ontvangen bij verkoop van de woning door zijn ex-echtgenote.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat hij bewust akkoord was gegaan met deze onderbedeling en dat het dagelijks bestuur de middelen van appellant terecht had vastgesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat het dagelijks bestuur ten onrechte artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB had toegepast en dat hij redelijkerwijs niet over het volledige bedrag kon beschikken vanwege de financiële situatie van zijn ex-echtgenote en onzekerheid over verkoopbaarheid van de woning.
De Raad verwierp deze argumenten, oordeelde dat appellant blijk gaf van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en dat het dagelijks bestuur bevoegd was om bijstand als geldlening te verlenen. De wijze van berekening van de periode waarover de lening werd verstrekt, werd niet onredelijk bevonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstand is terecht in de vorm van een geldlening toegekend vanwege tekortschietend besef van appellant.