ECLI:NL:CRVB:2012:BX1189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige beoordeling verzekeringsartsen
Appellante was langdurig arbeidsongeschikt en ontving aanvankelijk een WAO-uitkering. Na beëindiging daarvan werd zij ziek gemeld met hart- en spanningsklachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsartsen vast dat zij geschikt was voor functies als administratief medewerker.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en er geen nieuwe feiten waren die tot een ander oordeel leidden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten waren verergerd, met name angst- en spanningsklachten, en dat zij niet in staat was om de werkzaamheden te verrichten. De Raad oordeelde dat het behandelplan geen aanleiding gaf tot twijfel over het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts en dat een aanvullend deskundigenonderzoek niet nodig was.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat appellante geschikt is voor ten minste één van de geduide functies, waardoor de beëindiging van de Ziektewetuitkering terecht was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellante geschikt is voor ten minste één van de geduide functies.