ECLI:NL:CRVB:2012:BX0612

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-743 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 12 april 2011 waarin hem per 28 februari 2011 geen WIA-uitkering werd toegekend wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%. Dit bezwaar werd bij besluit van 27 juni 2011 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij meer beperkingen ondervindt dan door het UWV is vastgesteld en dat hij niet in staat is zijn eigen werk en de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. Tevens verzocht hij om benoeming van een deskundige. De Raad overwoog dat de gronden die appellant aanvoerde reeds in eerdere procedures waren besproken en dat appellant niet had toegelicht waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn.

De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor een urenbeperking of verminderde beschikbaarheid. De Raad wees het verzoek om een deskundige af omdat er geen twijfel bestond over de juistheid en volledigheid van de medische situatie en beperkingen van appellant. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

12/743 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 december 2011, 11/5881 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 6 juli 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. M.J.F. Bähr.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 12 april 2011 heeft het Uwv geweigerd appellant per 28 februari 2011 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen, omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2. Bij besluit van 27 juni 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2011 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant op juiste en zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Appellant heeft geen objectieve medische stukken ingediend waaruit blijkt dat zijn beperkingen niet juist zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst. De rechtbank heeft geen reden gezien het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen in te willigen.
De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn passend voor appellant.
3. In hoger beroep heeft appellant zich onveranderd op het standpunt gesteld dat hij meer beperkingen heeft dan is aangenomen en dat hij niet in staat is zijn eigen werk en de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. Naar zijn mening is een urenbeperking geïndiceerd. Voorts verzoekt appellant de Raad om een deskundige te benoemen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Appellant heeft in hoger beroep gronden aangevoerd die ook reeds in beroep zijn aangevoerd en door de rechtbank zijn besproken. Appellant heeft in hoger beroep deze gronden slechts herhaald en niet aangegeven waarom naar zijn opvatting het oordeel van de rechtbank onjuist is. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde gronden op juiste wijze besproken en op juiste wijze gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.
4.3. De Raad voegt hier nog aan toe dat het beroep op een urenbeperking op grond van de Standaard Verminderde Arbeidsduur niet slaagt. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant niet voldoet aan de indicaties van die Standaard. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat de indicatie ‘energetisch’ niet aanwezig is, omdat chronische moeheid/chronisch energieverlies niet als claimklacht wordt gepresenteerd. De indicatie ‘preventief’ is niet aanwezig, omdat niet valt in te zien dat appellant in volledig eenvoudig en stressarm werk niet hele dagen actief zou kunnen zijn. Voorts strookt een vermindering van de duurbelasting niet met de praktijk van alledag. Ten slotte is evenmin sprake van “verminderde beschikbaarheid”. Deze motivering is toereikend.
4.4. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding appellant te doen onderzoeken door een deskundige. De hiervoor noodzakelijke twijfel aan de volledigheid en juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische situatie van appellant per 28 februari 2011 en de hieruit per die datum voor hem voortvloeiende beperkingen ontbreekt.
4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) K.E. Haan
KR