ECLI:NL:CRVB:2012:BX0195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor liposuctiekosten wegens voorliggende voorziening
Appellante verzocht bijzondere bijstand voor de kosten van een liposuctie, welke door het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage werd afgewezen. Het college stelde dat de kosten onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) als voorliggende, toereikende en passende voorzieningen vallen. De zorgverzekeraar had de vergoeding van de liposuctie geweigerd omdat deze niet noodzakelijk werd geacht, aangezien geen sprake was van correctie van afwijkingen met aantoonbare lichamelijke functiestoornissen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het college ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Zij stelde dat, omdat de gevraagde kosten niet tot het zorgpakket van de zorgverzekering behoren, er geen voorliggende voorziening is en het college de aanvraag inhoudelijk had moeten beoordelen.
De Raad oordeelde dat artikel 15 van Pro de WWB geen recht op bijstand geeft indien een voorliggende voorziening bestaat die toereikend en passend is. Aangezien de zorgverzekeraar een bewuste beslissing heeft genomen over de noodzaak van de liposuctie, dient het college zich daarbij aan te sluiten. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor liposuctiekosten wordt afgewezen vanwege het bestaan van een voorliggende voorziening.