ECLI:NL:CRVB:2012:BW9797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering bijstand en bevestiging verlaging bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving sinds 2003 bijstand en kreeg in 2007 een erfenis van haar vader. Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage had de bijstand ingetrokken en kosten teruggevorderd op basis van een te lage vermogensgrens uit 2005. De rechtbank had dit bevestigd, maar de Raad oordeelde dat de juiste vermogensgrens uit 2007 had moeten worden gehanteerd, waardoor het terug te vorderen bedrag lager is.
Daarnaast had appellante niet onverwijld gemeld dat zij aanspraak kon maken op de erfenis, waarmee zij haar inlichtingenverplichting schond. Het college verlaagde daarom de bijstand met een maatregel van 10% gedurende een maand. Appellante voerde aan dat zij uit eigen beweging had gemeld en advies had ingewonnen, maar dit werd niet als dringende reden erkend.
De Raad vernietigde het besluit over de terugvordering en stelde het bedrag vast op € 1.160,--. Het beroep tegen de verlaging van de bijstand werd ongegrond verklaard. Tevens werden de kosten van appellante in bezwaar en hoger beroep aan het college opgelegd en het griffierecht vergoed.
De uitspraak bevestigt de toepassing van de juiste vermogensgrens en het belang van tijdige en volledige informatieverstrekking aan het college bij het ontvangen van vermogen tijdens bijstand.
Uitkomst: De terugvordering bijstand wordt vastgesteld op € 1.160,-- en de verlaging van de bijstand met 10% gedurende een maand wordt bevestigd.