ECLI:NL:CRVB:2012:BW8243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens onvoldoende beperkingen op datum beoordeling
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn Ziektewetuitkering per 1 juli 2011 te beëindigen omdat hij volgens het UWV niet langer ongeschikt was voor arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en inzichtelijk was uitgevoerd. De klachten van appellant, waaronder rugklachten en de ziekte van Crohn, werden meegewogen, maar leidden niet tot een arbeidsongeschiktheid die het verrichten van een normale werkdag onmogelijk maakte.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn ziekte van Crohn en het zware medicijngebruik. Hij overhandigde nieuwe medische informatie en verwees naar eerdere rechtspraak. Het UWV stelde dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 juni 2011 adequaat waren vastgesteld en dat latere klachten na de datum in geschil niet relevant waren voor de beoordeling.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig. De nieuwe medische informatie bood onvoldoende aanleiding om het eerdere oordeel te wijzigen. Gegevens over ziekmelding vanaf januari 2012 vielen buiten het geschil. De Raad concludeerde dat het UWV terecht het ziekengeld had beëindigd en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering per 1 juli 2011 wordt bevestigd.