ECLI:NL:CRVB:2012:BW6795

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-87 WWB-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 BeroepswetArt. 21 BeroepswetArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken hoger beroep

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem. Vervolgens heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad heeft bij uitspraak van 17 januari 2012 de aangevallen uitspraak bevestigd. Ondanks deze bevestiging heeft verzoeker zijn verzoek om voorlopige voorziening gehandhaafd.

De Raad oordeelt dat nu de bodemuitspraak is gedaan en het hoger beroep niet langer aanhangig is, niet langer wordt voldaan aan de voorwaarde dat er een hoger beroep moet zijn om een voorlopige voorziening te kunnen treffen. Hoewel het voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, moet dit hoger beroep ook daadwerkelijk aanhangig zijn.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Er wordt uitspraak gedaan zonder zitting en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een aanhangig hoger beroep.

Uitspraak

12/87 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van de Haarlemmermeer
Datum uitspraak 29 mei 2012.
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft bij brief van 14 november 2009 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 oktober 2009, 09/2307 (aangevallen uitspraak).
Namens verzoeker heeft mr. M. Raaijmakers, advocaat te Hoofddorp, op 14 december 2011 een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
OVERWEGINGEN
1. Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Bij uitspraak van 17 januari 2012, LJN BN1777, heeft de Raad de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd. Verzoeker heeft niettemin zijn verzoek om voorlopige voorziening gehandhaafd.
3. Gegeven deze uitspraak in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat niet langer is voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd hoger beroep is ingesteld. Hoewel voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de Raad tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde aldus te worden verstaan dat er een hoger beroep aanhangig moet zijn, wil er een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen.
4. Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk is. Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb wordt uitspraak gedaan zonder zitting.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2012.
(get.) C. van Viegen.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
HD